Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Kritisch denken is meer dan affakkelen van ideeën column
13 juli 2018 | Ger Post

Kritisch denken is meer dan alles affakkelen wat je wordt voorgeschoteld. Vragen stellen kan effectiever zijn, zo bewijst een onderwijsmethode. ‘Binnen één of twee lesuren kun je ze al kritisch laten nadenken.’

Op (a)sociale media staat kritisch denken gelijk aan argumenten onderuit halen van stellingen die niet stroken met je persoonlijke denkbeelden. Of iemand zoveel mogelijk bewijs voor de voeten werpen dat tegen zijn of haar idee ingaat, zoals De Volkskrant-journalist in dit interview met de schrijver van Bullshit jobs, David Graeber.

Het is een eendimensionale opvatting van kritisch denken. Die leerkrachten in het lagere en middelbare onderwijs in de problemen brengt, zo blijkt uit een interview met Samira Bouchibti. Zij heeft zich toegelegd op onder andere het verbeteren van kritisch denken op scholen en het aanjagen van moeilijke discussies, bijvoorbeeld over normen en waarden.

Bouchibti: ‘Normeren heeft geen enkele zin. Het doodt elke discussie en levert geen echte verandering in denkwijze op. Toch is dat wel wat veel onderwijzers doen. Zeg je direct: “Dit is hoe wij de dingen in Nederland doen”, dan klapt iemand dicht, kom je niet tot de kern en kun je iemands gedachten of gevoel niet meekrijgen met wat je probeert over te brengen.’

Een andere methode is de stelling – hoe aanstootgevend die ook is – te onderzoeken. Bouchibti: ‘Stel een leerling zegt: “Een dief is minder erg dan een homo.” Dan kun je wel reageren met: “Dat kan je toch niet zeggen!” en normeren’, zegt Bouchibti op quasi-gechoqueerde toon. ‘Maar, oké’ – ze gaat rustig achterover zitten en vervolgt dan op ontspannen toon: ‘“Waarom is dat zo? Van wie heb je dat? Hoe kom je erbij? Moet je dan ook een homo in de gevangenis zetten? O, wat interessant, alle homo’s of alleen een paar? Hoelang moet die celstraf duren?” En maar doorgaan.’

Door de argumenten en aannames waarop een stelling rust te bevragen, gaan leerlingen dieper nadenken over hun denkbeelden. ‘Dat kost veel tijd, maar ik zeg je eerlijk, ik ben ervan overtuigd geraakt dat als je rustig over onderwerpen praat leerlingen en scholieren echt gaan nadenken en beginnen te twijfelen. En dat wil ik bereiken: dat ze gaan twijfelen aan al die klakkeloos overgenomen waarheden. Binnen één of twee lesuren kun je ze al kritisch laten nadenken.’


David Graeber: ‘Onzinbanen maken mensen ongelukkig’ nieuws
9 juli 2018 | Peter Spijker

Antropoloog en auteur David Graeber is populair, zo bleek op 27 juni in De Balie in Amsterdam. Hij presenteerde de Nederlandse editie van zijn Bullshit jobs voor een uitverkochte zaal. In dit boek stelt Graeber dat veel werkenden vinden dat ze ‘onzinbanen’ hebben. In Nederland vindt 40 procent van de fulltimers hun werk niet zinvol, in Engeland ligt dit op 37 procent.

 

Onzinbanen zijn volgens Graeber banen met taken die de uitvoerenden zelf als zinloos ervaren. Ze vinden hun eigen functie eigenlijk overbodig. ‘Het betreft vooral de beter betaalde kantoorbanen. Op kantoor vind je vele onzinbanen waarin mensen minstens de helft van de dag letterlijk niets doen. Dit geldt voor zowel de publieke sector als het bedrijfsleven; onzinbanen zijn er in elk kantoorgebouw en op alle niveaus.’

Schaamte
De mensen met onzinbanen willen vaak liever ander werk doen. ‘Ze zijn vaak ongelukkig en schamen zich voor de nutteloosheid van hun baan. Vraag je mensen wat ze belangrijk vinden in een functie, dan geven de meesten aan graag iets te willen betekenen voor anderen. In veel mindere mate halen ze de waarde uit het salaris of hun persoonlijke ontwikkeling. De meeste mensen met onzinbanen zitten doorgaans in een gouden kooi. Ik kreeg e-mails van marketingmanagers en financieel specialisten die met liefde iets willen doen in het onderwijs of de zorg, maar het lagere salaris schrikt hen af.’

Meer macht
Graeber heeft wel een verklaring waarom kantoren uitpuilen met mensen die vrijwel de hele dag alleen maar aanwezig zijn. ‘Volgens de economische theorie geeft een onderneming liever geen geld uit aan mensen die ze niet nodig hebben. Toch doen ze dat wél, want bij afslankrondes sturen grote bedrijven hoofdzakelijk de mensen weg die iets nuttigs doen; die dingen maken, vervoeren of onderhouden. Terwijl het aantal middenmanagers, managementondersteuners en andere overbodige functies maar blijft toenemen. Ik kan dit wel verklaren: een ceo heeft immers de neiging om zijn macht te vergroten door zeggenschap te krijgen over steeds meer mensen.’

De auteur ziet een oplossing in een universeel basisinkomen voor iedereen, dus voor arm én rijk. ‘Dan kunnen we allemaal vijftien of zestien uur per week gaan werken en de resterende tijd besteden aan de écht nuttige dingen die ons gelukkig maken zoals het zorgen voor andere mensen.


Harvest - Juni 2018 nieuws
11 juni 2018 | Jeroen Ansink

Wat leest Amerika en wat waait waarschijnlijk over naar Nederland? ‘Onze man in de VS’ Jeroen Ansink doet maandelijks een rondje boekwinkels in New York.

‘De werkvloer maakt mensen dood en niemand die het iets kan schelen’. De boodschap van Jeffrey Pfeffers nieuwe boek Dying for a paycheck is even zakelijk als alarmerend: de druk van de 24-uurs economie maakt meer slachtoffers dan de meeste mensen beseffen. Schadelijke managementpraktijken veroorzaken volgens de Stanford-hoogleraar alleen al in de Verenigde Staten naar schatting 120.000 extra overlijdensgevallen per jaar. Dat maakt het hebben van een baan Amerika's vijfde doodsoorzaak, nog boven nierfalen en alzheimer. Om nog maar te zwijgen van de financiële kosten: voor de Amerikaanse samenleving vormen de gevolgen van werkstress een jaarlijkse post van honderden miljarden dollars.

En dat terwijl ondernemingen die hun mensen tot het uiterste drijven ook zichzelf in de vingers snijden. Pfeffer citeert een onderzoek waaruit blijkt dat een toename van tien procent in overwerk de productiviteit juist met 2,4 procent vermindert. Voor een optimale output zou een werkweek niet langer moeten duren dan 48 uur, een tijdsspanne waar een beetje ambitieus persoon de neus voor ophaalt: ‘In de strijd om promoties zijn lange dagen een manier geworden om je te onderscheiden.’

Op die manier wordt het maken van carrière al snel een race naar de bodem, aldus Pfeffer. Uit een recente enquête blijkt bijvoorbeeld dat inmiddels 81 procent van de werknemers email-berichten ook in het weekend checkt, 55 procent na elf ‘s avonds nog inlogt en 59 procent zelfs tijdens de vakantie bereikbaar blijft. Ook de toename van het aantal zzp’ers zet de verhoudingen op scherp, omdat de klusjeseconomie ironisch genoeg tot meer onzekerheid leidt: veel mensen blijken beter in het verrichten, dan in het vínden van werk.

Een remedie voor deze stille epidemie is om de macht van de aandeelhouder te breken en terug te keren naar het ‘stakeholder kapitalisme’ van de jaren vijftig en zestig, aldus Pfeffer. Leiders dienen zich weer te realiseren dat ze een verantwoordelijkheid dragen voor het fysiek en psychologisch welzijn van hun mensen. Een onderneming als Patagonia is daar al mee bezig: werknemers van het kledingbedrijf krijgen om de week een weekend van drie dagen, zodat ze van de vrije natuur kunnen genieten. Maar van dergelijke bedrijven zijn er nog te weinig om het tij te keren, aldus Pfeffer. ‘We geven gewoon niet om mensen. En totdat we die mentaliteit veranderen, blijft deze lelijke situatie voortbestaan.’

De misère op de bedrijfsvloer is (misschien) nog te verteren als er sprake is van nuttig werk. Vaak blijkt dat echter ook niet het geval, schrijft Londen School of Economics-antropoloog David Graeber in Bullshit jobs. Zo houdt meer dan een derde van de Britse beroepsbevolking zich naar eigen zeggen bezig met taken die niemand zou missen als ze zouden worden afgeschaft. Graeber onderscheidt vijf van dit soort ‘onzinbanen’: wachters (zoals deuropeners en administratieve assistenten) bestaan bij de gratie om anderen belangrijk te laten voelen, bullebakken (zoals lobbyisten en telemarketeers), vallen namens hun baas anderen lastig, oplapwerkers (bijvoorbeeld software-ingenieurs) maken de schade ongedaan van lakse en incompetente superieuren, afvinkers (waaronder performance managers) meten de voortgang in de organisatie en opzichters (zoals middle managers), houden zich tenslotte bezig met (een vaak onnodige) supervisie.

Deel van het probleem is een economie waarin de meeste werknemers per maand worden betaald. Het idee dat iemands tijd aan een ander kan toebehoren is relatief nieuw, aldus Graeber. In vroeger perioden werd tijd gemeten aan de hand van activiteiten, in plaats van andersom. Een bepaalde taak duurde zolang ze duurde, en zodra ze voltooid was, kon iedereen naar huis. Dat veranderde met de introductie van klokken en horloges. Geld verdienen in ‘de baas zijn tijd’ dwingt mensen om bezig te blijven, ook al is het eigenlijke werk allang gedaan en biedt een nieuwe activiteit geen enkele toegevoegde waarde.

Bullshit jobs gaan vaak gepaard met een goed salaris en prestige, maar dat is wat dergelijke functies voor veel mensen juist zo onverteerbaar maakt, aldus Graeber. ‘Iedereen behandelt ze als het succes in de familie, maar alleen zij weten dat ze de hele dag niets betekenisvols doen.’ Tegelijkertijd worden degenen die wél een belangrijke bijdrage aan de maatschappij leveren, zoals onderwijzers en schoonmakers, vaak afgescheept met een fooi, alsof een hoger inkomen voor banen met een altruïstisch karakter het verkeerde slag mensen zou aantrekken.

Graeber, zelfverklaard anarchist en een van de ‘anti-leiders’ van de Occupy Wall Street-beweging, komt met een simpele oplossing: een universeel basisinkomen. Al was het alleen maar omdat de mensheid daar uiteindelijk ook beter van wordt: ‘De reden dat we in de jaren zestig zoveel fantastische muziek hadden was omdat al die bandjes in het begin een uitkering trokken. Vandaag de dag houdt degene die de nieuwe John Lennon zou kunnen zijn zich bezig met het stapelen van dozen.’

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden