Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Porren in de polderklei achtergrond
10 maart 2009 | Steven de Jong

Een motor van productiviteitsgroei. Ja, premier Balkenende legde als voorzitter van Het innovatieplatform de lat hoog. Anno 2009, zes jaar na de oprichting, is het 'comité van nationale redding' een stuk bescheidener.

‘Het Innovatieplaform is één van de weinige plekken waar innovatie echt op de agenda staat’, zei Robbert Dijkgraaf 28 februari op Radio 1. De universiteitshoogleraar was uitgenodigd omdat hij als lid van het platform de dag ervoor ‘de jaarlijks terugkerende evaluatie van de Kennisinvesteringsagenda’ had gepresenteerd. Wat dat is, doet er niet zoveel meer toe. Want Het innovatieplatform heeft allang niet meer de ambitie om een doorbraak te forceren, laat staan dat ze daartoe in staat is.

Metaforen

Soms, als je de publicaties van het platform doorploegt, krijg je de indruk dat er in de vergaderingen van de zwaargewichten alleen maar metaforen bedacht worden. ‘Innovatievouchers’, ‘groeiversnellers’, ‘Kennisinvensteringsagenda-foto’, enzovoort. Het zou om te lachen zijn als het niet zo treurig was. Want wie op Innovatieplatform.nl de menulink 'Resultaten 2003-2007' aanklikt (waar is 2008 eigenlijk?) wordt niet veel wijzer.

Hoekpanden

Ook niet veel wijzer worden we van het boek Het Innovatieplatform geschreven door Frans Nauta. Als voormalig secretaris was hij een goede insider, maar ook hem lukt het niet de wapenfeiten te resumeren. Sterker, hij heeft zelfs een heel hoofdstuk gewijd aan hoe het Innovatieplatform een actie als wapenfeit in de belangstelling kan krijgen. Dat noemt hij de ‘hoekpandentheorie’, wat kortweg hier op neerkomt: wie als aannemer een buurt aanpakt, moet met de hoekpanden beginnen. Die ziet het publiek namelijk van drie kanten, op kruisingen. Mensen krijgen dan het idee dat er hard gewerkt wordt, ze zien snel resultaat.

Centrum van de macht

En daar komen we bij de crux. 'Innoveren in het centrum van de macht', zoals de ondertitel luidt, gaat niet over masterplannen maar over kantoorpolitiek. Het aardige aan Nauta's boek is daarom dat je er alledaagse, zakelijke beslommeringen in kunt herkennen. Een vergadering die verzandt in geneuzel achter de komma, een stichtingsbestuur dat naar wapenfeiten zoekt om donateurs tevreden te stellen, collega's die je niet mag maar toch mee door moet. Druk van boven, druk van onderen.

Vergezichten

Toch was het Innovatieplatform allesbehalve alledaags. ‘Niet eerder was er er in de geschiedenis van de Staat der Nederlanden zoveel macht en reputatie samengekomen in een adviescommissie’, schrijft de auteur. ‘Het had wel iets van een comité van nationale redding, zoals NRC Handelsblad het later omschreef.’ Wat er gered moest worden, blijft vaag. Officieel was het Innovatieplatform in het leven geroepen om van Nederland een ‘swingend kennisland’ te maken. ‘Nederland moet beter zijn koppie gaan gebruiken’, zei Balkenende ooit op een conferentie. Of in de taal van het eerste persbericht: ‘Het Innovatieplatform moet plannen opstellen en een visie ontwikkelen teneinde een impuls te geven aan innovatie in Nederland als motor van productiviteitsgroei en economische ontwikkeling.’ Vergezichten dus, zaken waar ambitieuze bestuurders over mijmeren bij een haardvuur. Echte urgentie ontbrak, behalve dan de alarmbel dat ‘Nederland zakt op de internationale lijstjes’ en de tegeltjeswijsheid dat stilstand achteruitgang is.

Finland

Onder het motto 'beter goed bedacht dan slecht gejat' werd Finland als voorbeeld genomen. Dat was geheel te danken aan Frans Nauta, destijds voorzitter van stichting Nederland Kennisland. Hij had onderzocht hoe de Finnen zich sinds de jaren tachtig hadden opgewerkt van een achterstandsland tot de meest innovatieve economie van Europa. ‘Mijn onderzoek liet zien dat het Finse succes geen toeval was, maar het resultaat van twintig jaar gedegen beleid.’ Een succesverhaal dat in 1985 begon met de instelling van de zogeheten Science and Technology Policy Council (STPC). ‘Welk onderzoek we er ook bij pakten’, memoreert Nauta, ‘de Finnen scoorden systematisch beter dan andere Europese landen. Of het nou ging om de kwaliteit van het onderwijs, het aantal hoog opgeleiden, het aantal onderzoekers per duizend inwoners, de groei van investeringen in onderzoek en ontwikkeling, alle statistieken gaven aan dat de Finnen het steengoed deden.’ Een bewijs van die nieuwe Finse vitaliteit was de opkomst van Nokia tot wereldleider op het gebied van mobiele telefoons. Veelzeggend is wat de directeur strategie van Nokia aan Nauta toevertrouwde: ‘Zonder de Finse overheid was Nokia nooit geweest wat het nu is.’ Een uitspraak die je niet snel los krijgt van een Nederlandse ondernemer.

Kennis en bedrijvigheid

Wat deed die Finse overheid dan? Ze legde een voedingsbodem, zoals dat heet, waardoor bedrijfjes als paddenstoelen uit de grond schoten. De ingrediënten waren voorhanden. Finland was gezegend met een hoogopgeleide bevolking, veel technische onderzoekers, een internationaal georiënteerde cultuur en een bevolking die goed Engels spreekt. Maar het recept om die ingrediënten te mixen tot een ‘land met ideale vestigingsvoorwaarden voor knowledge based industries’ moest nog geïmplementeerd worden. Dat recept was min of meer voorhanden, in de gedaante van het Stanford Research Park, dat in 1951 haar deuren opende in Palo Alto, Californië. Het idee erachter: vestig onderzoeksafdelingen van bedrijven bij universiteiten, concentreer kennis, talent en ondernemerschap. Het softwarebedrijf SUN, voluit Stanford University Network, was het eerste antwoord op deze succesformule. Maar ook Hewlett Packett, Yahoo! en Google zijn allemaal gestart door Stanfordstudenten. Er ontstond zelfs een speciale vorm van bankieren rondom Stanford, gespecialiseerd in risicovolle financiering van startende bedrijven, het zogenaamde venture capital.

De Finnen besloten deze brandstofmix van talent, kennis en ondernemerschap te injecteren in hun eigen economie. In tien jaar tijd kregen de meeste universiteiten en hogescholen een campus voor bedrijven. Maar dat ging niet vanzelf. De activiteiten werden vanuit de hoogste regionen aangejaagd. De president leidde de STPC samen met zijn ministers van Financiën en Onderwijs en Economische Zaken. Om verzekerd te zijn van politiek draagvlak van de STPC werden er, afhankelijk van de partijverhoudingen, een aantal extra ministers lid van de stuurgroep. Daarnaast schoven zwaargewichten uit het onderwijsveld, de onderzoekswereld, het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers aan. ‘De STPC werd en wordt gezien als een belangrijke bouwsteen van het Finse succes’, aldus Nauta, die aan zijn spionagewerk zijn secretarisschap heeft te danken.

Kantoorpolitiek

Zo bezien is het Innovatieplatform een exacte kopie van de STPC. Maar waarom is het Innovatieplatform dan niet de geschiedenis in gegaan als de STPC? Daarover heeft Frans Nauta een smakelijke anekdote. Mensen die hij ontmoet vragen hem regelmatig of het Innovatieplatform nog bestaat, wat inderdaad zo is. Vraag twee is dan of het nu wel een succes is. Nauta: ‘Ik antwoord dan dat het me veelzeggend lijkt dat de vraagsteller niet wist of het Innovatieplatform nog bestond.’

Hoewel Nauta zijn best heeft gedaan er een constructief verhaal van te maken, met zelfkritiek en 'survivaltips voor vernieuwers in de polder', lees je de frustratie tussen de regels door. Het boek staat zo bol van 'gedoe' dat het eerder iets weg heeft van een sociaal-emotionele les in kantoorpolitiek. Of beter gezegd: een les in polderen.

Intelligent

Herman Wijffels, ook wel omschreven als de ‘beste minister-president die Nederland nooit heeft gehad’, is Nauta's mentor geweest in dit gedoe. ‘Het zit heel diep’, zo schetste Wijffels het poldermodel. Nederland is volgens hem een land zonder machtscentrum. ‘Je bent altijd afhankelijk van belangen. Den Haag is de hoofdstad, zodat Amsterdam niet te machtig zou zijn. Het stelsel voorkomt zorgvuldig dat er zich meerderheden vormen.’ Je kunt de polder niet opheffen, benadrukt Wijffels, de kunst is om er intelligent mee om te gaan.

Politiek

En dat is precies waar het boek over gaat. Over polderen. Intelligent polderen. Dat is wat het Innovatieplatform doet: polderen, polderen en nog eens polderen. Op de vraag van de Radio 1-verslaggever waarom het platform zo weinig zichtbaar resultaat boekt, verwees het lid Dijkgraaf naar de politiek. ‘Zij moeten ervoor zorgen dat al onze punten in hun partijprogramma staan.’ Het punt is politiek draagvlak te vinden, zo verdedigde Dijkgraaf zijn team. ‘De politiek moet de uiteindelijke keuze maken.’

De politiek dus. Maar het Innovatieplatform is toch politiek? Of zijn Maria van der Hoeven (minister van Economische Zaken), Ronald Plasterk (minister van Onderwijs) en Jan Peter Balkenende (minister-president) voor spek en boden lid?

2009: Actiejaar voor het Innovatieplatform nieuws
3 oktober 2008 | Hans van der Klis

Het innovatieplatform heeft stevige ambities. Premier Jan-Peter Balkenende maakte bekend dat Nederland op dit moment ergens tussen de tiende en twaalfde plaats schommelt op de lijst van meest innoverende economieën, maar dat een plaats bij de beste vijf tot de mogelijkheden behoort. Voormalig secretaris Frans Nauta van het Innovatieplatform is somberder: over drie weken verschijnt van zijn hand een boek, Het innovatieplatform, dat in het teken staat van ‘gesmoord enthousiasme, gemiste kansen, poldercultuur en innoveren in het centrum van de macht’.

Volgend jaar, 2009, wordt een ‘actiejaar’ voor Het innovatieplatform dat uiteenlopende ambities heeft geformuleerd, zo maakte de minister-president deze week bekend. Tot de doelstellingen behoren plannen als duizend nieuwe promovendi op te leiden, vijftig grote internationale ondernemingen naar Nederland te halen en te focussen op zes kerncompetenties van ons land, te weten: flowers & food, high-tech systemen materialen, water, creatieve industrie, chemie en pensioenen en sociale verzekeringen. En ook kreten als ‘Nederland kenniseconomie’ en ‘kwalitatief hoogwaardig onderwijs’ kwamen natuurlijk weer voorbij. Loffelijke doelstellingen, onderschreven door 'toppers' uit het bedrijfsleven zoals Ad Scheepsbouwer van KPN en Feike Sijbesma, bestuursvoorzitter van DSM.

Wanneer Nederland zijn positie in de top vijf moet opeisen, liet de eerste minister in het midden. De landen om ons heen zitten ook niet stil, erkende hij. Maar er staan wel een aantal concrete maatregelen op stapel. Accountantskantoor PricewaterhouseCoopers (PwC) gaat zijn medewerking verlenen aan de zogenaamde ‘groeiversneller’, een programma waarmee Nederlandse bedrijven met veel potentie kunnen doorgroeien. Op dit moment blijven veel bedrijven hangen op een omvang van 20 tot 25 werknemers. PwC moet hen helpen hun potentie volledig te benutten.

Een andere concrete toezegging is dat de fileproblematiek aangepakt gaat worden. Als Nederland daadwerkelijk vijftig grote internationale ondernemingen wil aantrekken – gesproken wordt van ondernemingen uit de Fortune-500, vooral uit Azië - zal de bereikbaarheid verbeterd moeten worden.

Of het Innovatieplatform zijn belofte kan inlossen, zal volgend jaar blijken. Maar niet iedereen is even gevoelig voor de peptalk van de 'captains of industry' die hebben plaatsgenomen in Balkenendes denktank. Over enkele weken verschijnt bij Academic Service het boek Het innovatieplatform van de voormalig secretaris van dat platform, Frans Nauta, die als voorzitter van de stichting Nederland Kennisland door Balkenende persoonlijk werd gevraagd om op te treden als secretaris. Dat was de start van een tumultueuze periode, die Nauta achteraf kenschetst als ‘niet leuk, maar wel leerzaam’. Zijn boek is ‘een spannend en bij wijlen verbijsterend’ verslag van deze periode, die in het teken stond van ‘gesmoord enthousiasme, gemiste kansen, poldercultuur en innoveren in het centrum van de macht’.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden