Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Interview

Hans van der Klis | 25 augustus 2010 | 9-13 minuten leestijd

Jeroen Busscher

‘Dit boek is een stuitende, ongegeneerde uitspraak over alles’

Soms is troost bieden belangrijker dan oplossingen aandragen, is de overtuiging van managementadviseur Jeroen Busscher. In zijn nieuwe boek ‘Troost voor werkende mensen’ onderzoekt hij het lijden op de werkvloer en biedt hij troost. ‘Ik heb van nature de neiging mij overal mee te bemoeien, dus moest ik mij tijdens het schrijven steeds inhouden. Maar het was een goede oefening om meer vertrouwen te hebben in anderen. Als adviseur bied ik altijd mijn oplossing, maar je zult het zelf moeten doen. In die zin heeft dit mij geholpen een betere consultant te worden.’

‘Dit is mijn boek, nu kan ik sterven.’ Enig gevoel voor dramatiek is managementadviseur Jeroen Busscher niet vreemd. Ruim twee jaar heeft hij aan zijn nieuwe boek ‘Troost voor werkende mensen’ gewerkt en dat was niet altijd even gemakkelijk. ‘Ik tastte voortdurend in het duister’, vertelt hij. ‘Ik wilde over dit onderwerp schrijven, maar ik wist er niets van. Ik was voortdurend aan het zoeken tijdens het schrijven. Sommige ideeën debiteerde ik al wel op verjaardagsfeestjes, maar nu wilde ik een serieuze onderbouwing voor mijn eigenwijsheden formuleren.’ Busscher vond een structuur toen zijn uitgever hem wees op het werk van de Franse filosoof Alain de Botton, schrijver van ‘Ode aan de arbeid’. ‘Hij is een voorbeeld geweest. De Botton reist bijvoorbeeld naar het land ‘werk’ stapt uit de trein, kijkt rond, stapt weer in en reist verder. Ik wist meteen dat ik die structuur in grote lijnen ook wilde gebruiken. Eerst de herkenning en de anekdote, vervolgens een analyse van het lijden, en tot slot een antwoord op de vraag hoe zou je er anders tegenaan kunnen kijken. Ik wilde niet te academisch te werk gaan, ik heb mijzelf toegestaan een beetje te verdwalen. En dat werkt heel goed.’

‘Troost voor werkende mensen’ laat zich inderdaad niet gemakkelijk classificeren. Het is geen traditioneel managementboek, het is ook geen filosofisch werk of een zelfhulpboek. Busscher analyseert zes vormen van menselijk lijden en onderzoekt op welke manier deze emoties – eenzaamheid, stress, frustratie, zinloosheid, machteloosheid en onzekerheid – ons functioneren belemmeren. Typisch een rijtje dat langer of korter zou kunnen, zegt Busscher. Universele emoties, die hij met behulp van anekdotes en voorbeelden op werk betrekt. ‘Het gaat eigenlijk over het leven zelf en hoe je er tegenaan kijkt’, zegt hij. ‘Omdat ik boeken heb geschreven binnen de context van werk, zoals ‘Pimp je afdeling!’, dacht ik dat ik mij nu ook het best op werkende mensen kon richten. Maar laat ik eerlijk zijn: de relatie met werk is een alibi. Dit boek is een stuitende, ongegeneerde uitspraak over alles. En dus ook werk.’

Angstreductie

Door werk te gebruiken als kapstok voor zijn ideeën heeft Busscher een slimme keuze gemaakt. Het is een onderwerp wat leeft, getuige het discours over het nieuwe werken. Ergens in het boek omschrijft hij werk als een ‘zijnstoestand’: een natuurlijke staat voor de mens. ‘In het verleden heb ik veel workshops gegeven voor Stichting Buitenkunst, een organisatie die projecten organiseert op het gebied van verschillende kunstvormen. Met een specifieke groep deelnemers heb ik eens een workshop gedaan waarbij wij ons inbeeldden dat de mens zich over één miljard jaar had ontwikkeld had tot een gefixeerd wezen, dat vastzat aan de grond. De opdracht was te bedenken wat de mens in die toestand zou doen. Wat mij ogenblikkelijk opviel was dat iedereen meteen begon te werken. De één begon te verzamelen en te classificeren, de tweede was voortdurend bezig zijn omgeving schoon te maken, de derde was de hele tijd dingen aan het verzamelen. Geen van allen was aan het luieren, ze waren allemaal aan het werk. Toen realiseerde ik mij: misschien is dat wel de ultieme angstreductie. De mens heeft altijd gebouwd, initiatief genomen, dingen gedaan. Veel daarvan richtte zich op angstreductie: huizen bouwen, veiligheid creëren. Wij hebben de wereld steeds veiliger voor onze soort gemaakt. Daar zijn wij in geslaagd, want wij zijn inmiddels met heel veel. Het is bij ons ingebakken dat wij bezig moeten blijven.’ In dat opzicht zijn mensen superieur aan mieren, vindt Busscher. ‘Wij vinden het mooi dat mieren goed kunnen samenwerken. Onzin, dat kunnen wij veel beter. Wij doen het als een superorganisme: het werk dat wij doen, hebben wij op sublieme wijze onderverdeeld. Iedereen doet een stukje.’

Uitzonderingen

De emotionele connotatie van het begrip troost zou je op het eerste gezicht niet direct in verband brengen met werk. Werk lijkt een rationele aangelegenheid, een uitruil van productiviteit voor een maandelijks inkomen. Maar schijn bedriegt. ‘De Westerse economieën hebben zich zodanig ontwikkeld dat wij bijna alle activiteiten die rationeel planbaar zijn of herhaald kunnen worden, door computers, machines of Chinezen laten doen’, zegt Busscher. ‘Alles wat steeds op dezelfde manier moet gebeuren, kan een ander goedkoper dan wij. In onze maatschappij houden werkers zich bezig met uitzonderingen, dingen die eenmalig zijn of varianten daarop. Mensen die in productiefaciliteiten werken, hebben als taak fouten in het proces op te sporen. Dat is de uitzondering managen, niet meer de regelmaat. Mensen in kantoororganisaties moeten projecten uitvoeren, klantgericht zijn, samenwerken, innovatief, ondernemend en proactief zijn: elke dag moeten zij de wereld opnieuw uitvinden.’

‘Wanneer jouw werk bestaat uit het managen van uitzonderingen, gaat het niet meer alleen om rationaliteit. Je moet intuïtief kunnen reageren, creatief zijn. Eén van de uitgangspunten van het Rijnlands model van Mathieu Weggeman en anderen is dat mensen in toenemende mate hun ziel en zaligheid meebrengen. De invloed van structopathische organisaties die geneigd zijn in een hokje te duwen, brokkelt steeds verder af. ‘Troost voor werkende mensen’ past binnen dit gedachtegoed: het gaat over de vraag of jij je als mens welbevindt, of jij energie hebt, of jij durft te dromen. Dat is geen soft betoog: die vragen worden economisch gezien steeds belangrijker. Als een team een apparaat als de iPad ontwikkelt, gaat het om samenwerking, creativiteit, durf. Pas dan ontstaat er iets heel moois. Als jij als projectmanager ontmoedigd bent, zal het project minder goed verlopen. Als jij als sales manager geen zelfvertrouwen hebt, verkoop je minder. Ga zo maar door. Henry Ford zei ooit: je huurt twee handen en je krijgt er een hoofd bij cadeau. Nu is het andersom: je huurt een hoofd en je hoopt dat het lichaam wat je erbij krijgt, geen rugpijn krijgt.’

De meisjes

Het boek begint met een mooie anekdote: hoe Busscher een vriend met problemen aan de telefoon kreeg, hem meteen met adviezen overstelpte en hoe hij vervolgens van zijn vrouw te horen kreeg dat dat niet de bedoeling was. Troost bieden is iets anders dan met oplossingen komen, maakte zij hem duidelijk. Het formuleren van oplossingen doe je in zekere zin voor jezelf, schrijft Busscher, om te laten zien hoe scherp je bent. Misschien had die vriend de oplossingen zelf kunnen verzinnen: hij had alleen behoefte aan een schouder om uit te huilen. De anekdote is enigszins gechargeerd, zegt Busscher. ‘Natuurlijk heeft mijn vrouw inspiratie geboden, maar als je een boek schrijft, moet je niet schrijven: dat heb ik in de loop der jaren ontdekt. Dat werkt niet.’

Maar zo was het wel. ‘Ik heb het boek opgedragen aan “de meisjes”, een vriendenclubje van vier mensen waar ik deel van uitmaakte. De meisjes verbeelden het sterkst hoe ik tot het boek ben gekomen. Eens in de zoveel tijd huurden wij met z’n vieren een huisje. Dan gingen wij een weekendje kletsen, zoals vier meisjes dat kunnen: roddelen, klagen, filosoferen over het leven. Het was Sex in the City, maar dan minder oppervlakkig. Die houding is uitgemond in dit boek. Ik ben vrij obsessief in mijn pogingen het leven te begrijpen.’ In zekere zin sluit dat aan bij het werk wat hij doet als managementadviseur, zegt Busscher. ‘Mijn vak is met groepjes werken en proberen te begrijpen waarom zij bepaalde dingen doen, waarom zij in bepaalde patronen vastzitten. Dan vraag ik mij af wat ik kan doen om dat te doorbreken.’

Is hij dan niet toch meer geneigd om met oplossingen te komen? Troost bieden lijkt in tegenspraak met wat van een managementadviseur wordt verwacht: die wordt juist geacht met oplossingen te komen. ‘De titel ‘Troost voor werkende mensen’ heeft tijdens het schrijven goed gewerkt omdat ik mij steeds bewust was dat het ging om troost, en niet over oplossingen voor werkende mensen’, zegt Busscher. ‘Maar dat is wel mijn valkuil. Ik heb van nature de neiging mij overal mee te bemoeien, dus moest ik mij tijdens het schrijven steeds inhouden. Maar het was een goede oefening om meer vertrouwen te krijgen in anderen. Als adviseur bied ik altijd mijn oplossing, maar je zult het zelf moeten doen. In die zin heeft dit mij geholpen een betere consultant te worden.’

n=1

Door de vrije geest die door het boek waait, en door de relativerende en soms ironische toon, dringt zich de vraag op waar Busscher zijn autoriteit op stoelt. Dat is een vraag waar hij zelf ook mee geworsteld heeft, erkent hij. ‘Het hoofdstuk waar ik het meest uit geschrapt heb, is de inleiding: daar had ik allerlei verontschuldigingen in opgenomen. Van de uitgever moesten die eruit. En terecht. Je moet de moed hebben om het oordeel over te laten aan de lezer. Maar ik draai er niet omheen dat voor dit boek geldt dat n=1: het aantal onderzochte personen bedraagt één en dat ben ik zelf.’

Busscher, die ooit aan de Gerrit Rietveld Academie werd opgeleid, trekt een parallel met het kunstenaarschap. ‘Als beeldend kunstenaar begin je ook met een wit blad. Wie ben jij om daar een streep op te zetten? Op een zeker moment stap je daar overheen en doe je het gewoon. Als mensen daar problemen mee hebben, is dat jammer. In die zin is het een soort arrogantie, of hoe je het ook wilt noemen: autisme, overmoed. Wat maakt het uit dat ik dit zeg? Voor wetenschap heb ik het talent noch het geduld. Ik ben niets meer dan een meneer die over het leven praat en zijn ideeën aan je voorlegt. De bottomline is: n=1. Maar als jij het leest en denkt: hier heb ik wat aan, dit troost mij, dan is dat voor mij voldoende. Ik ben een kind van het postmodernisme: ik geloof niet dat er één waarheid is.’

Hij denkt wel dat de mechanismen die hij in ‘Troost voor werkende mensen’ beschrijft invloed kunnen hebben op organisaties. ‘In de organisaties waarin wij tegenwoordig werken zijn de kwaliteiten om resultaat te boeken positieve energieën: overtuigingskracht, creativiteit, innovatief vermogen. Dat zijn energieën die beweging proberen te geven. De sentimenten die ik beschrijf in ‘Troost voor werkende mensen’ gaan juist over wanneer het eb wordt. Eenzaamheid frustreert, frustratie en stress leveren helemaal niets op. Je zou kunnen zeggen dat energie die anders constructief is, door deze emoties naar binnen slaat in de vorm van onzekerheid, machteloosheid, zinloosheid of stress. Als een manager mij zou vragen waarom hij dit boek zou moeten lezen, zou ik zeggen dat wanneer mensen getroost worden, de energie die nu naar binnen slaat omgezet kan worden in creatieve energie. Daarmee kun je weer naar buiten en kun je iets betekenen voor anderen. Nu onze persoonlijkheid een economische waarde vertegenwoordigt, is dat van groot belang.’

Het onderzoek heeft Busscher zelf ook geholpen. ‘Mijn grootste valkuil is dat ik altijd maar door wil, dat ik bijna over de dagelijkse werkelijkheid heen wil stappen. Dat kan een permanente frustratie met het heden tot gevolg hebben: als je de hele tijd bezig bent met willen, ben je niet bezig met het nu. Dat heb ik beter in perspectief leren plaatsen. Een blokje omgaan, elke dag weer, is ook goed, het hoeft niet altijd een wereldreis te zijn. Ook als je elke dag hetzelfde blokje om loopt, is er genoeg te ontdekken. In de film American Beauty komt een jongen voor, die de hele dag aan het filmen is. Op de vraag wat hij aan het filmen is, laat hij een shot zien met een plastic zakje dat door de lucht dwarrelt. En dan zegt hij: ‘‘I know video is a poor excuse to help me remember’’. Het helpt hem herinneren dat er overal schoonheid te bewonderen is. Dat een dwarrelend plastic zakje al mooi kan zijn. ‘Video is a poor excuse’, maar ik heb het nodig. Het schrijven van een boek is ‘a poor excuse’, maar ik heb het nodig om te onthouden dat het niet gaat om wat ik wil, maar over dat wat er is.’

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden