Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Column

Ger Post | 11 juli 2017 | 5-8 minuten leestijd

Zeven nuanceringen bij klassieke bevindingen in de psychologie

Veel klassieke bevindingen in de psychologie zijn gebrekkiger dan ze gepresenteerd worden in non-fictieboeken. Met het onderstaande lijstje nuanceringen bij de hand voorkom je dat je wordt misleid.

Hoe vertel je over de klassieke bevindingen uit de psychologie die recent aan het wankelen worden gebracht? Dat is niet alleen een dilemma voor auteurs, maar ook professoren die het vak psychologie moeten introduceren aan studenten. Aan de ene kant wil professor Noah Sasson zijn studenten vertellen over fundamentele concepten in de psychologie en ze inspireren er meer over te leren. ‘Maar dit is gecompliceerd omdat zoveel “klassieke” bevindingen gebrekkiger zijn dan ze gepresenteerd worden in introductiecursussen.’

Het er niet over hebben is geen optie, omdat bekendheid met deze concepten belangrijk is – niet alleen voor studenten, maar ook professionals. Sasson heeft daarom gekozen voor de volgende optie: hij presenteert de klassieke studies, maar laat ook hun gebreken zien en toont meer genuanceerde en conflicterende resultaten. ‘Tegelijkertijd gebruik ik deze onderzoeken als een voorbeeld van het belang van onderzoeksmethoden en hoe wetenschap in praktijk werkt.’

Daarmee zijn de psychologiestudenten misschien geholpen, maar niet de lezers van boeken over deze effecten. Daar blijft deze nuance vaak achterwege, omdat de studies die het tegendeel uitwijzen pas na het boek zijn gepubliceerd, de auteur de nuance heeft gemist of deze resultaten niet stroken met het punt dat hij of zij wil maken. Hieronder een overzicht van nuanceringen bij klassieke bevindingen en case studies in de psychologie (en links naar conflicterende resultaten).

Een klassieke bevinding is de fundamentele attributiefout (beschreven in Stalen Zenuwen), de neiging om de oorzaken voor het eigen gedrag toe te schrijven aan omgevingsfactoren terwijl het gedrag van een ander vaak verklaard wordt aan de hand van aanleg of karakter. Deze bevindingen zouden zó vaak voorkomen, dat psychologen de attributiefout ‘fundamenteel’ noemen. Alleen blijkt uit een meta-analyse uit 2006 dat het effect helemaal niet zo wijdverbreid is als veel psychologen denken: bijna al het bewijs voor het effect is gebaseerd op de resultaten in zorgvuldig opgezette experimenten waarin mensen de attributiefout wordt ontlokt. Buiten de muren van het laboratorium is het effect nog nauwelijks waargenomen.

Het beroemde experiment van Stanley Milgram dan (beschreven in Obedience to Authority), waarin proefpersonen gehoorzaamden om vreemden elektrische schokken toe te brengen. Sterker nog, maar liefst 65 procent van de proefpersonen ging zover dat ze iemand schokken van 315 volt toebrachten, genoeg om die persoon te doden. Uit het boek Behind The Shock Machine uit 2013 blijkt dat Milgram in 23 varianten van het experiment het scenario verfijnde om tot de beruchte resultaten te komen. In de varianten op het experiment gehoorzaamde 57 procent van de proefpersonen niet, maar die bevindingen werden niet gepubliceerd. Milgram twijfelde zelf ook aan het wetenschappelijke gehalte van zijn experimenten, zo schreef hij in zijn dagboek dat het een open vraag was of zijn resultaten het gevolg waren van ‘significante wetenschap of alleen effectief theater’. Milgram: ‘Ik ben geneigd de laatste interpretatie te accepteren.’

Volgende: het Stanford Prison Experiment (beschreven in De Geschiedenis van de Vooruitgang, Het Beslissende Moment en Het Lucifer Effect) waarin studenten in zes dagen tijd veranderden in meedogenloze bewakers die hun gevangenen (medestudenten) op sadistische wijze probeerden te breken. De bevinding dat het kwaad in mensen maar een klein zetje nodig heeft, maakte de onderzoeker Philip Zimbardo wereldberoemd (hij verkocht miljoenen boeken en werd president van de American Psychological Association). Maar Zimbardo kreeg de bevindingen die hem beroemd maakten nooit in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd. Een reden hiervoor was dat de conclusies voor een select gezelschap golden (relatief agressieve mensen waren geselecteerd) die een scenario uitvoerden dat de onderzoekers hen op subtiele en minder subtiele opdroegen. Toen een BBC-programma het waagde om het experiment ruim dertig jaar later over te doen maar dan zonder deze ingrediënten, bleek het programma vooral schokkend vanwege zijn saaiheid. Zo concludeerde Rutger Bregman na het zien van vier afleveringen: ‘Voor televisiemakers legde het experiment een pijnlijke waarheid bloot: als je normale mensen met rust laat, dan gebeurt er helemaal niks. Of erger nog: dan organiseren ze zich als een pacifistische commune.’

Next. Social priming (beschreven in Ons feilbare denken) is het effect dat iemands gedrag onbewust uitgelokt kan worden, zoals in de klassieke studie waarin mensen die een pen tussen hun tanden klemden (en daarbij onbewust een glimlach op hun gezicht kregen) een cartoon grappiger vonden dan mensen die een pen tussen hun lippen hielden (en daarbij onbewust een glimlach tegenwerkten). Alleen bleek in zeventien replicaties van deze klassieke studie dat er geen verband was tussen hoe grappig iemand een cartoon vindt en hoe die persoon (onbewust) zijn of haar mond houdt. Het social priming effect blijkt dus ook al niet zo wijdverbreid als veel auteurs suggereren.

Hebt u uzelf ertoe moeten zetten om de bovenstaande voorbeelden te lezen waarin de mooie, gave psychologische theorieën aan het wankelen worden gebracht? Vreest u een afname van uw wilskracht (en dat uw naasten het straks zullen moeten bezuren)? Dan hebt u waarschijnlijk het boek Wilskracht van Roy Baumeister gelezen, waarin hij stelt dat wilskracht een voorraad van energie is om impulsen en wensen die ongepast zijn te onderdrukken. Alleen gaf Baumeister onlangs ronduit toe dat dit idee is gestoeld op dubieuze onderzoekspraktijken: ‘We hebben meerdere experimenten gedaan, waarbij sommige werkten en andere niet, en sommige werkten beter dan andere. Je kan denken dat het niet rapporteren van de minder succesvolle experimenten fout is, maar dat is hoe het veld werkt.’ Deze bekentenis kwam nadat andere onderzoekers al hadden gevonden dat het uitputten van wilskracht (ook wel ego depletie genoemd) niet zo’n sterk en robuust effect is als Baumeister suggereerde.

Dan nog een aantal klassieke case studies in de psychologie. Zo is er de moord op Kitty Genovese (beschreven in Invloed), waarbij 38 ooggetuigen niets deden tijdens de moord op de 28-jarige Genovese. Het is een tekstboekvoorbeeld van het omstandereffect: de kans dat iemand een slachtoffer te hulp schiet neemt af naarmate er meer mensen getuige zijn van het voorval. Alleen bleek het verhaal van de 38 New Yorkers die geen hand uitstaken toen Genovese een half uur lang werd aangevallen nogal overdreven. Toen onderzoekers in 2007 een reconstructie maakten aan de hand van archiefmateriaal, concludeerden ze dat er ‘geen bewijs was voor de aanwezigheid van 38 getuigen, noch dat de getuigen de moord hadden gezien, of dat de getuigen niets deden’.

Als laatste is er nog de casus van Phineas Gage (beschreven in De Vergissing van Descartes). Als het over emoties en het brein gaat, dan is Gage en zijn geperforeerde prefrontale cortex nooit ver weg. Gage werkte in 1848 aan het spoor toen een ijzeren staaf zijn frontale brein doorboorde na een explosie. Hij overleefde het ongeluk, maar door zijn frontale verminking veranderde de persoonlijkheid van de ooit zo betrouwbare Gage in een mislukkeling die zijn emoties nauwelijks de baas kon. Althans, zo wil het verhaal. Toen psycholoog Malcolm Macmillan zich verdiepte in het 170 jaar oude verhaal, concludeerde hij dat ‘we te weinig weten over het leven van Gage, zowel voor als na het ongeluk, om gedetailleerde conclusies te trekken over de effecten van de hersenschade die hij opliep’.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden