Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
4 april 2011 | Perry Oostrum

'Leren adviseren, het belang van vakmanschap' geeft de stand van zaken weer over de kennis die is opgebouwd over professioneel handelen van organisatieadviseurs in adviesopdrachten. Het gaat in op de definities van organisatieadvies. Wat voor soorten advies zijn er? Hoe zien adviesprocessen eruit? Wat kunnen we zeggen over de effectiviteit van organisatieadvies? Hoe kunnen we daar greep op krijgen? Wat is het complete scala aan interventies waarvan adviseurs zich kunnen bedienen? Wat zijn hun competenties en hoe kun je die inzetten en ontwikkelen? Waar kan het goed gaan en fout gaan in de interactie tussen klanten en adviseurs? Hoe kijken klanten naar adviseurs en hoe kijken adviseurs naar klanten?

De flaptekst van 'Leren adviseren' van Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma is duidelijk genoeg: dit boek richt zich op ervaren organisatieadviseurs die hun ervaring willen verdiepen en verder willen professionaliseren. Het is ook, aldus de auteurs, geschreven voor afnemers van organisatieadvies. Want, zo stellen zij, 'voor wie regelmatig adviseurs over de vloer heeft, is het verstandig om te weten hoe het beste met externe organisatieadviseurs wordt omgegaan en hoe je als opdrachtgever een professionele consultant in huis haalt'. In tegenstelling tot wat de titel en de inleiding van het boek doen vermoeden, kunnen beginnende adviseurs het vak niet leren met het lezen en bestuderen van (alleen) dit werk. Daarvoor is het te fragmentarisch en appelleert het te zeer op een brede basis bij de lezer. Wel zullen ze er heel wat van opsteken...

'Leren adviseren' begint met een overzicht van het terrein van organisatieadvies. Vervolgens gaan De Caluwé en Reitsma in op onderwerpen als effectiviteit, interventies, competenties en interactie, en op vragen als 'wat willen klanten en wat zijn de verschillende perspectieven?' De besprekingen van deze onderwerpen zijn een bundeling van de ervaring en onderzoek door de auteurs bij het Center for Research on Consultancy aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en bij de Management Consultancy Division aan de Academy of Management. Zolang dit boek gelezen wordt met deze opzet in gedachten - en niet als alomvattende inleiding of totaaloverzicht van adviseren - is er niets aan de hand. Als de verwachtingen van de lezer maar goed gericht zijn.

Een van de meest sterke punten van de onderzoeken, en daarmee van de inhoud van dit boek, vind ik het betrekken van het perspectief van de klant. Zo is hoofdstuk 5, 'Wat klanten willen en verwachten', heel praktisch door het gebruik van zeer verhelderende voorbeelden. Het zijn die voorbeelden waar ook beginnende adviseurs toch hun voordeel kunnen doen. De auteurs geven haarfijn aan wat die adviseur moet doen in zijn handelen en interacties met de klant, maar vooral ook wat hij niet moet doen. En toch geven zij niet alles op een presenteerblaadje, maar dagen de lezer uit tot zelfreflectie. Ook de in het hoofdstuk 'Casuïstiek' opgetekende transcripten van adviessituaties vragen van de lezer goed na te denken wat hij de sterke en minder sterke momenten van dergelijke situaties vindt en hoe hij zelf zou acteren. Een mooie vorm van droogzwemmen, waarmee adviseurs, zowel beginnende als ervaren, zichzelf veel leed kunnen besparen...


Leren adviseren
4 april 2011 | Perry Oostrum

'Leren adviseren, het belang van vakmanschap' geeft de stand van zaken weer over de kennis die is opgebouwd over professioneel handelen van organisatieadviseurs in adviesopdrachten. Het gaat in op de definities van organisatieadvies. Wat voor soorten advies zijn er? Hoe zien adviesprocessen eruit? Wat kunnen we zeggen over de effectiviteit van organisatieadvies? Hoe kunnen we daar greep op krijgen? Wat is het complete scala aan interventies waarvan adviseurs zich kunnen bedienen? Wat zijn hun competenties en hoe kun je die inzetten en ontwikkelen? Waar kan het goed gaan en fout gaan in de interactie tussen klanten en adviseurs? Hoe kijken klanten naar adviseurs en hoe kijken adviseurs naar klanten? De flaptekst van 'Leren adviseren' van Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma is duidelijk genoeg: dit boek richt zich op ervaren organisatieadviseurs die hun ervaring willen verdiepen en verder willen professionaliseren. Het is ook, aldus de auteurs, geschreven voor afnemers van organisatieadvies. Want, zo stellen zij, 'voor wie regelmatig adviseurs over de vloer heeft, is het verstandig om te weten hoe het beste met externe organisatieadviseurs wordt omgegaan en hoe je als opdrachtgever een professionele consultant in huis haalt'. In tegenstelling tot wat de titel en de inleiding van het boek doen vermoeden, kunnen beginnende adviseurs het vak niet leren met het lezen en bestuderen van (alleen) dit werk. Daarvoor is het te fragmentarisch en appelleert het te zeer op een brede basis bij de lezer. Wel zullen ze er heel wat van opsteken...

'Leren adviseren' begint met een overzicht van het terrein van organisatieadvies. Vervolgens gaan De Caluwé en Reitsma in op onderwerpen als effectiviteit, interventies, competenties en interactie, en op vragen als 'wat willen klanten en wat zijn de verschillende perspectieven?' De besprekingen van deze onderwerpen zijn een bundeling van de ervaring en onderzoek door de auteurs bij het Center for Research on Consultancy aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en bij de Management Consultancy Division aan de Academy of Management. Zolang dit boek gelezen wordt met deze opzet in gedachten - en niet als alomvattende inleiding of totaaloverzicht van adviseren - is er niets aan de hand. Als de verwachtingen van de lezer maar goed gericht zijn.

Een van de meest sterke punten van de onderzoeken, en daarmee van de inhoud van dit boek, vind ik het betrekken van het perspectief van de klant. Zo is hoofdstuk 5, 'Wat klanten willen en verwachten', heel praktisch door het gebruik van zeer verhelderende voorbeelden. Het zijn die voorbeelden waar ook beginnende adviseurs toch hun voordeel kunnen doen. De auteurs geven haarfijn aan wat die adviseur moet doen in zijn handelen en interacties met de klant, maar vooral ook wat hij niet moet doen. En toch geven zij niet alles op een presenteerblaadje, maar dagen de lezer uit tot zelfreflectie. Ook de in het hoofdstuk 'Casuïstiek' opgetekende transcripten van adviessituaties vragen van de lezer goed na te denken wat hij de sterke en minder sterke momenten van dergelijke situaties vindt en hoe hij zelf zou acteren. Een mooie vorm van droogzwemmen, waarmee adviseurs, zowel beginnende als ervaren, zichzelf veel leed kunnen besparen...


8 maart 2011 | Eelke Pol

'Leren adviseren – het belang van echt vakmanschap' is een boek waarvan de titel de lading uitstekend dekt. Adviseren draait om vakmanschap, is de kern van het boek. En dat vakmanschap moet worden geleerd en continu worden bijgehouden, is de aansluitende boodschap. Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma onderbouwen hun kernboodschap op diverse (wetenschappelijke) manieren en dwingen de lezer om als het ware in de spiegel te kijken: hoe geef ík vorm aan het organisatieadviesvak (perspectief opdrachtnemer) en hoe maak ík optimaal gebruik van een organisatieadviseur (perspectief opdrachtgever).

Dat organisatieadvies een boeiende, maar ook lastige professie is, is bij de beroepsoefenaren genoegzaam bekend. Elke organisatieadviseur ervaart dagelijks de uitdaging om inhoudelijk en procesmatig 'goed werk' te leveren. Naar het werk van vele tienduizenden organisatieadviseurs die Nederland rijk zijn, werkzaam als zelfstandige dan wel in loondienst bij een adviesbureau, is nog weinig onderzoek gedaan en is nog weinig over gepubliceerd. De Caluwé en Reitsma doen een serieuze poging daar verandering in aan te brengen. Hun boek is voor een deel gebaseerd op onderzoek naar de kwaliteit van organisatieadvies bij de Rijksoverheid uit 2001, voor een deel op literatuuronderzoek en voor een deel op simulaties uitgevoerd bij opleidingssituaties voor organisatieadviseurs. Het boek bevat als bijlagen een zelftest voor adviseurs en een overzicht van relevante competenties voor organisatieadviseurs.

Het boek van Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma begint met een beschouwing over het 'vak' adviseren en de rol van de organisatieadviseur. Hierbij kiezen de auteurs verschillende perspectieven: de inhoud van het 'vak' organisatieadvies, fasen in het adviesproces, de verschillen en overeenkomsten tussen de interne en externe organisatieadviseur en de rol van de opdrachtgever. Zelf was ik daarbij vooral verrast door het begrip 'risk return reversal': de neiging als adviseur om iets onbespreekbaar te houden op de korte termijn, wat mogelijk op langere termijn tot ernstige gevolgen kan leiden voor de cliëntorganisatie. Voorbeeld: een niet functionerende medewerker.

In het volgende hoofdstuk volgt de beschrijving van het eerder genoemde onderzoek naar de kwaliteit van organisatieadvies bij de Rijksoverheid. Interessant is te lezen welke aspecten door opdrachtgevers belangrijk worden gevonden, maar ook om te zien op welke wijze zowel opdrachtgevers én adviseurs de kwaliteit van het geleverde werk beoordelen. Dat adviseurs (7.6) daarbij hun eigen werk met bijna een vol punt positiever inschatten dan opdrachtgevers (6.8) doen, is interessant. In feite is dit een aansporing tot zelfreflectie, een thema dat later in het boek uitgebreid aan bod komt.

Het theoretische deel van het boek wordt gevormd door hoofdstukken 3 en 4. In het derde hoofdstuk worden allerlei interventies behandeld, vanuit verschillende paradigma's. Het volgende hoofdstuk zoomt in op de competenties van de organisatieadviseur. Inhoudelijk stevige kost, her en der wat taai om door te komen: veel lijstjes, veel bullets, veel opsommingen. De auteurs hadden hierbij iets meer praktijksituaties kunnen gebruiken, teneinde de theorie wat concreter te maken.

Als professional zelf 10 jaar werkzaam in het organisatieadviesvak, sprak met name het hoofdstuk 'Wat klanten willen en verwachten' mij erg aan. De Caluwé en Reitsma vatten de inbreng die klanten van de adviseurs verwachten, met vijf s'en als volgt samen: stevige inhoud, sensitiviteit en gelijkwaardigheid in het gesprek, structuur bieden, stelling durven nemen en samenwerkende adviseurs die elkaar aanvullen. Citaat uit het boek: 'Uit ons onderzoek blijkt dat klanten waardering hebben voor de 'vriendelijke, betrokken adviseur die met een kalme uitstraling overtuigend en structurerend te werk gaat'.

'Leren adviseren' is m.i. primair gericht op organisatieadviseurs en hen die mede richting geven aan hun ontwikkeling, denk aan leidinggevenden, trainers en coaches. Opdrachtgevers van organisatieadviseurs vormen volgens de auteurs ook een doelgroep. Ik vraag me echter af of deze opdrachtgevers een dergelijk, gedegen en sterk op wetenschap gebaseerd boek over organisatieadviseurs zullen lezen. Het is verleidelijk om 'Leren adviseren' te vergelijken met dé klassieker in Nederland rondom dit thema, namelijk het boek 'Adviseren als tweede beroep' van Hannah Nathans. Waar het boek van De Caluwé en Reitsma vooral het 'wat' van organisatieadvies benadrukken en daarmee ook de complexiteit ervan, gaat het boek van Nathans vooral over het 'hoe' van adviseren: hoe sluit je aan bij de opdrachtgever, hoe maak je verwachtingen bespreekbaar etc. Een combi van de beide boeken is misschien een mooie uitdaging voor het driemanschap De Caluwe', Reitsma en Nathans?


Leren adviseren
8 maart 2011 | Eelke Pol

'Leren adviseren – het belang van echt vakmanschap' is een boek waarvan de titel de lading uitstekend dekt. Adviseren draait om vakmanschap, is de kern van het boek. En dat vakmanschap moet worden geleerd en continu worden bijgehouden, is de aansluitende boodschap. Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma onderbouwen hun kernboodschap op diverse (wetenschappelijke) manieren en dwingen de lezer om als het ware in de spiegel te kijken: hoe geef ík vorm aan het organisatieadviesvak (perspectief opdrachtnemer) en hoe maak ík optimaal gebruik van een organisatieadviseur (perspectief opdrachtgever). Dat organisatieadvies een boeiende, maar ook lastige professie is, is bij de beroepsoefenaren genoegzaam bekend. Elke organisatieadviseur ervaart dagelijks de uitdaging om inhoudelijk en procesmatig 'goed werk' te leveren. Naar het werk van vele tienduizenden organisatieadviseurs die Nederland rijk zijn, werkzaam als zelfstandige dan wel in loondienst bij een adviesbureau, is nog weinig onderzoek gedaan en is nog weinig over gepubliceerd. De Caluwé en Reitsma doen een serieuze poging daar verandering in aan te brengen. Hun boek is voor een deel gebaseerd op onderzoek naar de kwaliteit van organisatieadvies bij de Rijksoverheid uit 2001, voor een deel op literatuuronderzoek en voor een deel op simulaties uitgevoerd bij opleidingssituaties voor organisatieadviseurs. Het boek bevat als bijlagen een zelftest voor adviseurs en een overzicht van relevante competenties voor organisatieadviseurs.

Het boek van Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma begint met een beschouwing over het 'vak' adviseren en de rol van de organisatieadviseur. Hierbij kiezen de auteurs verschillende perspectieven: de inhoud van het 'vak' organisatieadvies, fasen in het adviesproces, de verschillen en overeenkomsten tussen de interne en externe organisatieadviseur en de rol van de opdrachtgever. Zelf was ik daarbij vooral verrast door het begrip 'risk return reversal': de neiging als adviseur om iets onbespreekbaar te houden op de korte termijn, wat mogelijk op langere termijn tot ernstige gevolgen kan leiden voor de cliëntorganisatie. Voorbeeld: een niet functionerende medewerker.

In het volgende hoofdstuk volgt de beschrijving van het eerder genoemde onderzoek naar de kwaliteit van organisatieadvies bij de Rijksoverheid. Interessant is te lezen welke aspecten door opdrachtgevers belangrijk worden gevonden, maar ook om te zien op welke wijze zowel opdrachtgevers én adviseurs de kwaliteit van het geleverde werk beoordelen. Dat adviseurs (7.6) daarbij hun eigen werk met bijna een vol punt positiever inschatten dan opdrachtgevers (6.8) doen, is interessant. In feite is dit een aansporing tot zelfreflectie, een thema dat later in het boek uitgebreid aan bod komt.

Het theoretische deel van het boek wordt gevormd door hoofdstukken 3 en 4. In het derde hoofdstuk worden allerlei interventies behandeld, vanuit verschillende paradigma's. Het volgende hoofdstuk zoomt in op de competenties van de organisatieadviseur. Inhoudelijk stevige kost, her en der wat taai om door te komen: veel lijstjes, veel bullets, veel opsommingen. De auteurs hadden hierbij iets meer praktijksituaties kunnen gebruiken, teneinde de theorie wat concreter te maken.

Als professional zelf 10 jaar werkzaam in het organisatieadviesvak, sprak met name het hoofdstuk 'Wat klanten willen en verwachten' mij erg aan. De Caluwé en Reitsma vatten de inbreng die klanten van de adviseurs verwachten, met vijf s'en als volgt samen: stevige inhoud, sensitiviteit en gelijkwaardigheid in het gesprek, structuur bieden, stelling durven nemen en samenwerkende adviseurs die elkaar aanvullen. Citaat uit het boek: 'Uit ons onderzoek blijkt dat klanten waardering hebben voor de 'vriendelijke, betrokken adviseur die met een kalme uitstraling overtuigend en structurerend te werk gaat'.

'Leren adviseren' is m.i. primair gericht op organisatieadviseurs en hen die mede richting geven aan hun ontwikkeling, denk aan leidinggevenden, trainers en coaches. Opdrachtgevers van organisatieadviseurs vormen volgens de auteurs ook een doelgroep. Ik vraag me echter af of deze opdrachtgevers een dergelijk, gedegen en sterk op wetenschap gebaseerd boek over organisatieadviseurs zullen lezen. Het is verleidelijk om 'Leren adviseren' te vergelijken met dé klassieker in Nederland rondom dit thema, namelijk het boek 'Adviseren als tweede beroep' van Hannah Nathans. Waar het boek van De Caluwé en Reitsma vooral het 'wat' van organisatieadvies benadrukken en daarmee ook de complexiteit ervan, gaat het boek van Nathans vooral over het 'hoe' van adviseren: hoe sluit je aan bij de opdrachtgever, hoe maak je verwachtingen bespreekbaar etc. Een combi van de beide boeken is misschien een mooie uitdaging voor het driemanschap De Caluwe', Reitsma en Nathans?


14 februari 2011 | Joost van Driessen

Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma beogen met het boek 'Leren adviseren' de state of the art op adviesgebied te presenteren. Ze doen dat door de resultaten van jarenlang onderzoek samen te vatten in één boek. De afzonderlijke hoofdstukken (hoofdthema's genoemd) laten zich prima los van elkaar lezen. Als bonusmateriaal geven de schrijvers ook enkele instrumenten die gebruikt kunnen worden in opleidingen van adviseurs.

'Leren adviseren' is bedoeld voor externe organisatieadviseurs en hun opdrachtgevers. De begrenzing tot externe adviseurs is onnodig. Via een achterdeur behoren interne adviseurs ook tot de doelgroep van dit boek. Interne adviseurs zijn immers vaak de sparringpartners of opdrachtgevers van de externe adviseurs. Een adviesrelatie heeft twee zijden; beide zijden samen hebben de verantwoordelijkheid voor een goed advies. Los van die achterdeur zie ik ook inhoudelijk geen enkele belemmering voor een interne adviseur om zijn kennis te verrijken met de inhoud van dit boek.

Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma, zelf organisatieadviseur, stellen zichzelf kwetsbaar op als ze kijken naar de effectiviteit van de 'zesde macht' (de adviesbranche). Ze hebben omvangrijk onderzoek gedaan naar de prestaties. Wat kan beter? Onder andere de invulling van professioneel opdrachtgever- en opdrachtnemerschap. Vandaar dus ook dat de doelgroep ook de opdrachtgever is, zodat die weten wat ze van de externe adviseur mogen verwachten.

Ik zou het boek niet aanbevelen aan een beginnend adviseur die praktische handvatten zoekt om zijn advieswerk te vormen. Die is beter af met bijvoorbeeld 'Overtuigend adviseren' van Bert Ruck. De Caluwé en Reitsma bieden een gedegen en wetenschappelijk onderbouwd pleidooi voor professionalisering van de branche. Het is dus bedoeld voor de adviseur die de stap wil maken naar verdere professionalisering.

Daarbij is de lijn in het boek ondergeschikt gemaakt aan de inhoud. De hoofdstukken 2 tot en met 6 waarin de hoofdthema's staan, zijn eigenlijk zo zelfdragend dat het afzonderlijke papers lijken. Dat zijn het waarschijnlijk ook geweest. Gebundeld leveren ze echter een mooie blik op het adviesvak. Vanzelfsprekend komt ook de kleurentheorie van De Caluwé en Vermaak aan bod, maar in een ondergeschikte rol. Het is slechts één van de drie dimensies van interventies en niet (meer) zaligmakend.

De verslaglegging over onderzoek en meer theorie over het advieswerk zelf wisselen elkaar af. Vanwege de wetenschappelijk onderbouwde inzichten bevat het boek veel referenties naar uitgevoerd onderzoek en gezaghebbende literatuur. Dat maakt het geen 'lekkere weglezer' maar veel meer een studieboek. Wat mij betreft zou boek het niet misstaan in een goede MBA-opleiding. Het is in elk geval een mooie manier om een veelgehoord bezwaar tegen dergelijke opleidingen (te 'exact') weg te nemen. De literatuurlijst staat boordevol referenties naar eerdere werken van de auteurs zelf, voornamelijk van De Caluwé.

Een praktisch deel van het boek is het hoofdstuk 'Instrumenten en tools'. Deze zijn ontstaan als bijproduct van de diverse onderzoeken die in het boek centraal staan. Het accent ligt daarbij op reflectie. Wederom materiaal dat in een MBA-opleiding niet zou misstaan.

Ook meer filosofische beschouwingen komen aan bod: wat willen klanten eigenlijk en wat verwachten ze van de adviseur? Belangrijk is dan de onderliggende vraag wie die klant eigenlijk is. Velen denken dat het de opdrachtgever is. Je hoort vaak de uitdrukking 'wie betaalt, bepaalt'. De schrijvers citeren hiervoor hun collega Hans Strikwerda: de ultieme cliënt is de samenleving. Een welkome nuance, want vaak bestaat toch de indruk dat de adviseur alleen maar opschrijft wat de opdrachtgever wil dat uit het onderzoek komt. Door te professionaliseren ontsnapt een adviseur aan die valkuil. Het boek van De Caluwé en Reitsma helpt daarbij.


Leren adviseren
14 februari 2011 | Joost van Driessen

Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma beogen met het boek 'Leren adviseren' de state of the art op adviesgebied te presenteren. Ze doen dat door de resultaten van jarenlang onderzoek samen te vatten in één boek. De afzonderlijke hoofdstukken (hoofdthema's genoemd) laten zich prima los van elkaar lezen. Als bonusmateriaal geven de schrijvers ook enkele instrumenten die gebruikt kunnen worden in opleidingen van adviseurs. 'Leren adviseren' is bedoeld voor externe organisatieadviseurs en hun opdrachtgevers. De begrenzing tot externe adviseurs is onnodig. Via een achterdeur behoren interne adviseurs ook tot de doelgroep van dit boek. Interne adviseurs zijn immers vaak de sparringpartners of opdrachtgevers van de externe adviseurs. Een adviesrelatie heeft twee zijden; beide zijden samen hebben de verantwoordelijkheid voor een goed advies. Los van die achterdeur zie ik ook inhoudelijk geen enkele belemmering voor een interne adviseur om zijn kennis te verrijken met de inhoud van dit boek.

Léon de Caluwé en Elsbeth Reitsma, zelf organisatieadviseur, stellen zichzelf kwetsbaar op als ze kijken naar de effectiviteit van de 'zesde macht' (de adviesbranche). Ze hebben omvangrijk onderzoek gedaan naar de prestaties. Wat kan beter? Onder andere de invulling van professioneel opdrachtgever- en opdrachtnemerschap. Vandaar dus ook dat de doelgroep ook de opdrachtgever is, zodat die weten wat ze van de externe adviseur mogen verwachten.

Ik zou het boek niet aanbevelen aan een beginnend adviseur die praktische handvatten zoekt om zijn advieswerk te vormen. Die is beter af met bijvoorbeeld 'Overtuigend adviseren' van Bert Ruck. De Caluwé en Reitsma bieden een gedegen en wetenschappelijk onderbouwd pleidooi voor professionalisering van de branche. Het is dus bedoeld voor de adviseur die de stap wil maken naar verdere professionalisering.

Daarbij is de lijn in het boek ondergeschikt gemaakt aan de inhoud. De hoofdstukken 2 tot en met 6 waarin de hoofdthema's staan, zijn eigenlijk zo zelfdragend dat het afzonderlijke papers lijken. Dat zijn het waarschijnlijk ook geweest. Gebundeld leveren ze echter een mooie blik op het adviesvak. Vanzelfsprekend komt ook de kleurentheorie van De Caluwé en Vermaak aan bod, maar in een ondergeschikte rol. Het is slechts één van de drie dimensies van interventies en niet (meer) zaligmakend.

De verslaglegging over onderzoek en meer theorie over het advieswerk zelf wisselen elkaar af. Vanwege de wetenschappelijk onderbouwde inzichten bevat het boek veel referenties naar uitgevoerd onderzoek en gezaghebbende literatuur. Dat maakt het geen 'lekkere weglezer' maar veel meer een studieboek. Wat mij betreft zou boek het niet misstaan in een goede MBA-opleiding. Het is in elk geval een mooie manier om een veelgehoord bezwaar tegen dergelijke opleidingen (te 'exact') weg te nemen. De literatuurlijst staat boordevol referenties naar eerdere werken van de auteurs zelf, voornamelijk van De Caluwé.

Een praktisch deel van het boek is het hoofdstuk 'Instrumenten en tools'. Deze zijn ontstaan als bijproduct van de diverse onderzoeken die in het boek centraal staan. Het accent ligt daarbij op reflectie. Wederom materiaal dat in een MBA-opleiding niet zou misstaan.

Ook meer filosofische beschouwingen komen aan bod: wat willen klanten eigenlijk en wat verwachten ze van de adviseur? Belangrijk is dan de onderliggende vraag wie die klant eigenlijk is. Velen denken dat het de opdrachtgever is. Je hoort vaak de uitdrukking 'wie betaalt, bepaalt'. De schrijvers citeren hiervoor hun collega Hans Strikwerda: de ultieme cliënt is de samenleving. Een welkome nuance, want vaak bestaat toch de indruk dat de adviseur alleen maar opschrijft wat de opdrachtgever wil dat uit het onderzoek komt. Door te professionaliseren ontsnapt een adviseur aan die valkuil. Het boek van De Caluwé en Reitsma helpt daarbij.


Léon de Caluwé, Elsbeth Reitsma
Leren adviseren

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden