Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Interview

Pierre de Winter | 6 september 2012 | 5-7 minuten leestijd

Manon Ruijters

‘Leer- en werkwereld vaak van elkaar losgetrild’

Samen met haar goede vriend en vakgenoot Robert-Jan Simons initieerde adviseur en lector Manon Ruijters de Canon van het leren. Een compendium van 50 leerconcepten en hun grondleggers, geschreven door 54 auteurs. ‘Ik wilde iets doen waarmee je de brug kon verstevigen tussen de theorie en de praktijk van ons vak.’

Ik miste een in mijn ogen belangrijke naam in jullie Canon van het leren: Arie de Geus.
Ja, dat is een goeie. Weet je, Robert-Jan en ik hebben van het begin af aan niet het idee dat we de ultieme grondslag voor ons vak – ‘organisational learning’ – moesten gaan schrijven. We zaten gewoon samen een glas wijn te drinken en vonden dat we weer eens wat leuks moesten gaan doen. Robert-Jan stelde een scheurkalender voor, voor ouders over het leren van hun kinderen. Maar ik ben geen ouder en werk niet met kinderen. Ik wilde iets doen waarmee je de brug kon verstevigen tussen de theorie en de praktijk van ons vak, omdat ik er echt vaak van schrik hoe weinig mensen weten van de concepten die ze gebruiken.

Zijn de mensen die in de praktijk met leren bezig zijn zo slecht op de hoogte dan?
Nou, ik kan ze dat niet kwalijk nemen, want het is een ondoorgrondelijk vakgebied waarin je niet makkelijk een algemene kennisbasis vindt, maar vooral met heel veel verschillende theorieën geconfronteerd wordt van wetenschappers die allemaal net een andere saus over het onderwerp leggen. Wij wilden aan die kennisbasis werken, op een toegankelijke manier.

Mooi, maar nou weet ik nog steeds niet waarom Arie de Geus niet in de Canon staat. De man die met zijn boek ‘The living company’ (De levende onderneming) waarschijnlijk de meest succesvolle Nederlander op het gebied van ‘organisational learning’ is.
Nou, wij hebben diezelfde avond – bij het inmiddels tweede glas wijn – een shortlist van 45 leerconcepten samengesteld die in onze ogen in de Canon moesten. En daar zat De Geus gewoon niet bij. En gedurende het proces van afstemmen met onze vijftig auteurs – waarbij concepten zijn afgevallen en toegevoegd – is-ie ook niet genoemd. Sterker: bij de laatste bijeenkomst, waar we het al hadden over een vervolg, met de namen die daar dan weer in zouden moeten, is-ie ook niet genoemd. Maar ik moet je zeggen, ik vind het een goede suggestie, hoewel er zo ongetwijfeld nog wel meer mensen missen in het boek.

Waar hebben jullie je met de canon op gefocust?
Wat mij betreft gaat het boek over organisatieontwikkeling en dan met name alles wat te maken heeft met het leren en ontwikkelen van mensen; individueel, maar met name in groepen.

Hoe hebben jullie de auteurs geselecteerd?
Gewoon van ‘wie ken jij en wie ken ik die we kunnen vragen een bijdrage te leveren’. We hadden er al snel vijftig. Het aardige is dat er mensen tussen staan die nog nooit gepubliceerd hadden, gewoon tussen toppers als Léon de Caluwé en Thijs Homan. Dat vraagt natuurlijk wel aandacht. . Het feit dat we met een aantal van hen echt in gesprek zijn gebleven tot hun artikel stond, vind ik persoonlijk een van de mooiste dingen aan dit boek.

Hoe verliep het proces?
Och, er is een kleine minderheid die meteen op de eerste deadline levert, maar dat waren er maar een stuk of vijf. En na een tijdje krijg je de mensen die laten weten het toch niet te gaan redden. De een is van baan veranderd, de ander ligt in een scheiding, dat soort dingen. We hebben ook bijeenkomsten georganiseerd, om mensen erbij te betrekken. Die werden minder goed bezocht dan ik had gehoopt, maar het waren leuke avonden waarop we het concept steeds scherper hebben kunnen slijpen. Sowieso hielp het heldere format mensen met schrijven: één grondlegger; één concept; een beschrijving van de persoon, een beschrijving van het concept en een bespreking van de relevantie ervan. Wij hebben geleerd: hoe simpeler het concept, hoe makkelijker het wordt.

Toch duurde het nog ruim vier jaar voor het er lag, terwijl jullie hadden gedacht er een jaar over te doen. Vanwaar het oponthoud?
Nou, al die zaken die ik eerder genoemd heb, plus het feit dat Robert-Jan en ik he-le-maal niet van het projectmanagement zijn, haha. Daarnaast deden we het buiten werktijd, dus moesten we regelmatig zoeken naar momenten om ermee bezig te kunnen zijn.

Ik denk als ik het lees: ‘prachtige theorieën, maar volgens mij slagen organisaties er helemaal niet in om dergelijke verfijnde methodes operationeel te maken’.
Daar ben ik een stuk minder pessimistisch over. Pas geleden twitterde iemand mij: ‘Nu is het de vraag welk concept wanneer in te zetten.’ Nou, dat is voor mij niet een vraag. Want ik denk dat je als professional pas naar dit boek grijpt als je al met een concept bezig bent en er niet helemaal uit komt. Heel veel concepten worden heus al gebruikt in organisaties.

En kunt u een organisatie noemen die daar overduidelijk garen bij spint?
Een organisatie die daar in mijn ogen erg goed mee bezig is, is ‘Benchmarken Benchlearning Rijk’. Dat is een klein clubje binnen de overheid dat zich bezig houdt met de bedrijfsvoering op de ministeries. Ze stellen benchmarks op waarmee ze de ministeries onderling vergelijkbaar proberen te maken, zodat bijvoorbeeld de bedrijfsvoering op die ministeries meer inzichtelijk wordt.

Waarom zijn zij goed bezig volgens u?
Degene die onderzoek doet is meestal degene die het meeste leert. Het probleem van een Benchmark is dat je de cijfers weer betekenis moet geven in gesprek met de mensen over wie die cijfers gaan. Dat is best een complex proces. Zij doen dit echt super goed. Ze verliezen zich niet in cijfers, maar gebruiken de cijfers om beweging en reflectie te krijgen. Het is echt: ‘benchmark, benchlearning’. Wat je heel vaak ziet, is dat de leerwereld en de werkwereld lostrillen van elkaar. Dus dat je dan heel erg in opleidingen gaat denken, of in interventies. En dat er dan van die typische leerwoorden bij komen als leerdoelen en leertrajecten, die ‘hier’ (wijst op de buik) helemaal niets meer doen. Wat ze bij BBR doen, is dat heel mooi samenbrengen.

Dit boek is eigenlijk een soort crowdsourcing-project geworden. Zijn jullie tevreden met het resultaat?
In het begin kwam iemand met een webapplicatie waarmee we het proces konden faciliteren. Dat hebben we geprobeerd, maar het werd er alleen maar ingewikkelder van, met inloggen en allerlei protocollen. Mensen ervoeren het als last, ik ook trouwens. Maar we zijn zeer tevreden met het boek. Het verkoopt goed en er is volop over getwitterd. Kennelijk was er behoefte aan een dergelijk overzicht.

(In de november editie van Managementboek Magazine kunt een uitgebreid interview met Manon Ruijters verwachten!)

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden