Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Recensie

Organisatieontwikkeling en human resource management

Wetenschap is een lastige taak. Wat waar is, moet eerst bewezen worden, hetgeen tegelijk noodzakelijk, omslachtig en belachelijk is. Deze paradox leidt voor menig wetenschapper tot een voor buitenstaanders merkwaardig soort zelfgekozen academische gevangenschap, waarbij hij spontane waarheden slechts via stellingen bij een proefschrift of op een opiniepagina kan ventileren. In disciplines als organisatieontwikkeling en Human Resource Management (HRM) is de situatie nog knellender. The proof of the eating is in the pudding en is er bijna geen wetenschappelijke discipline die zo dicht aan de praktijk is gekoppeld. Hoogleraren op dit vakgebied zijn vrijwel altijd ook op een of andere manier adviseur.

Erwin van de Pol | 3 mei 1999

Wetenschappelijke publicaties in deze branches lijken zodoende altijd te moeten zweven tussen theorie en praktijk. De twee redacteuren en de zeven overige auteurs van het boek, allen verbonden aan de Nijmegen Business School van de Katholieke Universiteit Nijmegen, hebben ervoor gekozen de nadruk te leggen op de stand van zaken en de wetenschappelijke discussie op het gebied van organisatie-ontwikkeling en HRM. Het boek is daarnaast bedoeld voor universitaire en HBO studenten. Daarvan uitgaande voldoet het boek prima aan de verwachtingen. Wie die verwachtingen zou kunnen delen, leest verder. De inleiding van het boek gaat in op de veranderde context van personeel en organisatie en zet de toon. Even afgeschrikt door de terminologie beleidsgebied (bij het woord beleid moet ik als ex-ambtenaar toch nog altijd de reflex onderdrukken dat het waarschijnlijk over niets gaat), blijkt de leesbaarheid kenmerkend voor de rest van het boek: gedegen en nuchter, met name in Deel II veel studentikoos moeten en worden proza, maar voor wie in de onderwerpen geïnteresseerd is toegankelijk. In Deel I geven de redacteuren de theoretische kaders op de deelgebieden van organisatieontwikkeling en HRM met daarop volgend een integraal ordeningsmodel. Hoewel veel basiskennis wordt verondersteld, geeft dit deel een helder overzicht van ontwikkelingen en trends. In Deel II gaan de overige auteurs in afzonderlijke hoofdstukken in op thema's en vraagstukken als bijvoorbeeld teammanagement, macht en employability. Hier komen wij een paar heldhaftige academische standpunten tegen. Zo constateert Mark van Bijsterveld dat beweringen van een steeds dynamischer en complexer wordende wereld (als uitgangspunt voor organisatieverandering) zelden kwantitatief worden onderschreven. Dus kan het antwoord op de vraag of de ontwikkelingen van nu daadwerkelijk turbulenter en complexer zijn misschien wel nooit gegeven worden, volgens Van Bijsterveld. Een relevante opmerking, die historici echter met of zonder kwantitatieve onderbouwing wel degelijk beantwoorden. Erg aardig zijn de hoofdstukken over diversiteit, de normwerknemer voorbij, en macht. Ook macht is, zo schrijft Birgit Brouns na haar inleiding, een lastig te onderzoeken fenomeen. Dat doet het ergste vrezen, maar toch is het juist het wetenschappelijke aspect dat dit hoofdstuk iets extra's weet te geven. Macht is van alle tijden en de theorievorming daarover ook, zo laat Brouns zien. Zij zet helder de filosofen Hobbes en Machiavelli tegenover elkaar om vervolgens in te gaan op (de)centralisatie en leidinggeven in moderne organisaties. Zelfs good old Marx haalt ze van stal en de ideeën over hegemonie van de in Nederland weinig bekende Italiaanse filosoof Gramsci (1891-1937) krijgen ook een plaats. Dit uitstapje is des te aardiger, omdat de meeste beschouwingen over organisatieontwikkeling beginnen bij Taylor of in gunstige gevallen bij de Industriële Revolutie. Dat is pure armoede. Daarvoor werd er ook gewerkt, maar veel minder in wat wij nu als organisaties herkennen. Dat betekent niet dat er geen analyses of observaties over werken of de organisatie daarvan mogelijk zijn. De laatste (anderhalve) eeuw is in dit opzicht nu eenmaal buitengewoon afwijkend van de tijd daarvoor. En wellicht zijn we op de weg terug. Volgens Erik Poutsma in zijn bijdrage over teammanagement zullen verschuivingen door ontwikkelingen als telecommunicatie, het lidmaatschap van meer teams en flexibilisering, minder cohesie en minder identificatie met de groep tot gevolg hebben. Groepen zullen volgens hem mogelijk minder invloed op het gedrag van individuen hebben. Daarop voortgaand zou deze huidige periode van geïnstitutionaliseerde arbeid misschien wel een kort en merkwaardig intermezzo in de geschiedenis van arbeid en organisatieontwikkeling kunnen zijn, als je kijkt naar de verschillende in dit boek behandelde thema's.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Boek bij dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden