Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Naming & Framing column
29 januari 2014 | Pierre Pieterse

Een Citroen DS (de ‘snoek’) is een Franse auto die zijn naam letterlijk eer aandoet: ziet er goddelijk uit en rijdt navenant. In alle opzichten dus een echte ‘DS’. Een lettercombinatie die niet voor niets is gekozen want hardop uitgesproken klinkt dat als ‘déesse’. Als godin dus! Dit semiotische principe heeft Roland Barthes in zijn belangrijke boek Mythologies (uit 1957) uitvoerig geanalyseerd, en zou je met niet al te veel fantasie kunnen beschouwen als een taal-filosofische voorloper van Framing. Want in feite is ook framing een spel van denotatie en connotatie, alleen veel minder subtiel uitgespeeld.

Dat mooie maar dus wat harde spel van denotatie en connotatie (van aantrekking en afstoting) vindt de laatste tijd opvallend vaak plaats rond het simpele woord ‘manager’. Manager is in essentie niet meer dan een functiebenaming, een leidinggevende die op de winkel past. Een professional die ervoor zorgt dat het bedrijfsbeleid daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Heel basaal door te coördineren, te entameren, en nog veel vaker door heel simpel knopen door te hakken. Een professional dus, net zoals de arts, de bakker, of de pijpfitter.

Maar er is een tijd geweest waarin alleen al de toevoeging ‘manager’ aan welke functie dan ook (denotatie) zorgde voor een enorme statusimpuls (connotatie). Dat elke simpele filiaalhouder zich plots en kennelijk zonder reden manager ging noemen, blijkt ‘met de kennis van nu’ de voorbode te zijn geweest van een ingrijpende en verreikende revolutie. Kort daarop was de secretaresse een pronte officemanager, de NS medewerker een perronmanager, en de kantinejuffrouw een catering manager. Statusverhoging als blijk van geveinsde waardering, en dus zonder de bijbehorende emolumenten. Upstairs downstairs. De bestuurlijke elite laat zich niet misleiden door naamkaartjes, hoe graag de managerial nouveau riche dat vooral zelf wilde geloven.

Waarmee de glans van de connotatie ‘manager’ alras verbleekte en de stemming omsloeg. En hoe! Het huidige frame van manager is die van een omhoog gevallen sukkel, een ‘graaier’ ook en ‘zakkenvuller’, een ‘stuntel’ die geen waarde toevoegt, kortom een ‘uitvreter’, een parasiet die de hardwerkende professional maar voor de voeten loopt in zijn of haar eeuwige strijd tot meerwaarde. En de topmanagers? Veni vidi vici, zoals het echte leiders betaamt. Maar de doorsnee dozenschuiver die zich even ICT manager mocht wanen, voelde de lede ogen in zijn rug prikken. De denotatie ‘manager’ werd weg geschuurd om zo de pyriet-achtige connotatie weg te poetsen. ‘Hoofd’ is tegenwoordig een geuzennaam, ‘voorman’ gewoon weer respectabel, net als ‘amanuensis’ in sommige kringen deftig is.

En er wordt nog altijd gepoetst. Door professionals die ervoor zorgen dat het bedrijfsbeleid daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Door heel rudimentair te coördineren, te entameren, of door heel simpel knopen door te hakken. Alleen heten ze nu ‘netwerkleider’, of ‘facilitator’ of ‘coach’, of ‘inspirator’. Managers dus. Zelfde denotatie, andere connotatie, en nog altijd zelfde werkinhoud. Maar ook opnieuw een doorzichtige manoeuvre om wat Barthes ‘mythes’ noemt tot acceptabele proporties terug te brengen. De manager als bijvoorbeeld verbinder omdat hij als zelfbenoemd netwerkleider spil is in een zelf geprojecteerd netwerk.

Overigens heeft het er alle schijn van dat het volgende ‘slachtoffer’ van de niet aflatende ‘naming & Framing’ de professional zelf is. Exotische functiebenamingen als zorgprofessional, circulatie-expert, of broodvirtuoos doen vrezen voor het ergste. Dat schept ruimte voor een vorm van constructieve ‘deframing’: een manager is manager, het cement tussen de geledingen van de organisatie, met irrelevante connotatie.

Pas op voor andermans frame! tussen_droom_en_daad
11 maart 2013 | Hans de Bruijn

In deze aflevering van Tussen droom en daad laat Hans de Bruijn zien dat taal niet onpartijdig is. Integendeel zelfs, taal stuurt onze opvattingen. En dat veel meer dan we denken.

In een experiment krijgen twee groepen respondenten hetzelfde filmpje te zien van twee auto’s die op elkaar inrijden. Voor de eerste groep respondenten is de vraag hoe hard de twee auto’s op elkaar ‘botsen’. De tweede groep krijgt de vraag hoe hard ze op elkaar ‘knallen’. Het resultaat is verrassend.

Respondenten die gevraagd wordt hoe hard de auto’s op elkaar knallen, schatten de snelheid hoger in dan de respondenten in de andere groep. Waarom? ‘Knallen’ associëren we met een hardere klap dan ‘botsen’, en dus denken we dat de snelheid hoger was. Blijkbaar heeft de taal waarin we onze boodschap vervatten, invloed op de manier waarop we naar de werkelijkheid kijken.

De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor de invloed van taal op onze waarneming, en die invloed verloopt via woorden en verhaalstructuren. Denk bijvoorbeeld aan een woord als strategic endgame dat in veel strategiediscussies wordt gebruikt. Soms is het noodzakelijk dat een onderneming duidelijke strategische keuzes maakt. Maar soms ook niet. Dan is het veel verstandiger om even voor een afwachtende houding te kiezen, om opties open te houden. Want een duidelijke strategische keuze kan ook betekenen dat een onderneming in een tunnel terechtkomt, flexibiliteit verliest. Wie het in een strategische discussie voortdurend over een strategic endgame heeft, voedt het beeld dat er nu gekozen moet worden, dat nu de grote beslissingen vallen. We noemen dat ‘framing’: je zet de strategiediscussie in het raamwerk van de endgame en daarmee zit eenieder die pleit voor het openhouden van opties in het defensief.

Wie weet hoe te framen met woorden bezorgt zichzelf een comfortabele positie in een debat en duwt de tegenstander in de verdediging. Ben je tegen een meldpunt? Noem het systematisch een ‘kliklijn’. Vind je dat een ‘prominent’ binnen de onderneming te bemoeizuchtig is? Noem hem een ‘mastodont’. Zetten anderen je aanpak weg als een ‘oude werkwijze’? Noem het een ‘klassieke werkwijze’. En krijg je het verwijt ‘niet koersvast’ te zijn? Zeg dat je iemand bent die ‘blijft nadenken’ waarmee je anderen impliciet verwijt dat niet te doen, zij zijn ‘gefixeerd’ en ‘bevroren’.

Minstens zo belangrijk is dat achter veel taal een verhaalstructuur schuil gaat. Een linkse politicus verwijt een rechtse politicus dat hij de uitkeringen te veel kort van mensen die geen werk kunnen vinden. In zo’n verwijt zit een verhaalstructuur: de uitkeringsgerechtigde is slachtoffer, de rechtse politicus is de schurk en de linkse politicus is de held die het voor het slachtoffer opneemt. Ook dit is weer een frame. Wanneer de rechtse politicus in dat frame stapt, is hij de schurk en zit hij in het defensief. Niet doen dus, maar reframe de situatie: gebruik andere taal om dezelfde situatie te duiden. Zeg bijvoorbeeld dat er in de stad een speeltuin is die draait op vrijwilligers en druk wordt bezocht. Dat je die speeltuin moet gaan sluiten wegens een gebrek aan vrijwilligers. Maar dat er in dezelfde straat wel zeven mensen met een uitkering wonen en dat je daar toch echt wat aan wilt doen. Opeens is de rolverdeling een andere: de speeltuin is het slachtoffer en de rechtse politicus is de held. Dat debatteert een stuk comfortabeler.

Om misverstanden te voorkomen: framing is geen trucje en werkt uiteindelijk alleen als er een inhoudelijke opvatting achter schuil gaat – hoewel we de ander graag zullen verwijten dat hij ‘slechts framet’. Iedereen framet, bewust, maar vaak ook onbewust. Wees daar dus alert op. Kijk uit dat je niet met het frame van de tegenstander mee gaat. Heb je last van een frame, reframe het dan. Dat geeft je opponent het gevoel dat hij in de verkeerde film zit.

Do

- Wees alert op de partijdigheid van woorden die in een discussie worden gebruikt.

- Wees alert op de rolverdeling ‘schurk-slachtoffer-held’ in een betoog.

- En denk dus na over je eigen woorden en verhaalstructuur, kortom: reframe.

Dont's

- Stap nooit in het frame van de ander.

- Ga nooit framen om het framen, dus zonder onderliggende inhoud.

Managementboek Magazine 2013 nieuws
7 januari 2013 | Pierre Pieterse

Ook bladen moeten soms afscheid nemen van oude bekenden. Meestal alleen van rubrieken maar soms ook van de mensen die met die rubriek zijn verkleefd. Een klein overzicht van wat er in 2013 staat te gebeuren. Kortom: van oude rubrieken en dingen die voorbijgaan!

Met toch wel enige weemoed moeten we hier de laatste aflevering van ‘De boekenkast’ aankondigen. En van Joep Schrijvers die deze reeks niet alleen jaren heeft verzorgd maar ook geheel toevallig de eerste kandidaat bij diezelfde boekenkast was. Heel toepasselijk staat de laatste stoel bij de boekenkast van Mark van Vugt. Niet zozeer vanwege de boeken De natuurlijke leider en Gezag met als rode draad ‘leiderschap’ maar wel vanwege zijn ‘expertise’, evolutionaire psychologie. Want net als al het echte leven moeten ook magazines evolueren, zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden, aan een nieuw publiek. Met de tijd meegaan heet dat. Zo spreken we straks niet meer over ’vijftien meter aan boeken’ maar hebben we over ‘3,4 gig aan enhanced info’, en is de typische ‘Billy’ vervangen door een ereader van een of ander type. Maar die ruimte reserveren we alvast voor een nieuwe generatie managementauteurs.

Misschien is dit wel het juiste moment om ook alvast aan te kondigen dat de buitenlandse pendant van ‘De Boekenkast’, de ‘Galerij der Groten’, ook op zijn einde loopt. Alle levende invloedrijke managementauteurs zijn even op, ‘we hebben ze allemaal gehad’ zoals dat heet in bladjargon. In het vat zitten nog namen als Charles Handy (in februari) Peter Senge, Edward de Bono, Chris Argyris (in maart), Meredith Belbin en Hermann Simon, maar als die hebben gesproken, kunnen wij met recht een nietje slaan door de stapels tekst en een eigen canon van managementdenkers uitgeven.

Dit is zeker het juiste moment om nieuwe rubrieken aan te kondigen. De rubriek ‘Tussen droom & daad’ waarin ‘bestuurskundigen van de TU Delft patronen en wetmatigheden analyseren waar veel managementboeken soms wat lichtvoetig aan voorbij gaan’, is met deze aflevering over Framing (‘de wet van de woordkeuze’) van Hans de Bruijn precies drie maanden jong en heeft dus nog een enorme toekomst voor de boeg.

In vergaand stadium van conceptualisering staat de ‘Management Fact Check’ (zo 2012, daarom dus!), slechts uitvoering staat publicatie in de weg. En de aftrap van de top-100 vindt in het volgende nummer plaats: ‘Managementb(o)oks’ gaat de rubriek veelzeggend heten. In de rubriek ‘Management Fact Check’ gaan we uitzoeken in hoeverre ‘management claims’ door feiten & cijfers worden onderbouwd. Zorgt dat nieuwe werken nu echt voor meer tevreden werknemers en een toename van de productiviteit? Geeft social media de organisatie nu werkelijk een gezicht van vlees en bloed? Is intrinsieke motivatie, vaak uitgekeerd in zingeving, werkelijk voldoende of is een beetje extrinsieke motivatie, ook wel hygiënefactor, meer dan meegenomen? Dat soort kwesties gaat de redactie op snijtafel leggen.

De top-100 wil uitgroeien tot een interactieve maar vooral iteratieve verplichte managementliteratuurlijst. Een ‘body of knowledge’ of ‘boks’ van managementboeken. Via een toegesneden variant van crowdsourcing brengen we in kaart welke boeken ertoe deden en dat nog altijd doen, en welke boeken er nu toe doen of straks daartoe gaan doen. Het ‘managementvak in boeken’ als perpetuum mobile waarbij beweging en richting wordt bepaald door context en duiding. Waarom moet iedereen Images of Organization (Beelden van organisatie) van Gareth Morgan nou toch hebben gelezen? En waarom zal over een paar jaar iedereen roepen dat de ‘Lanting trilogie’ (Connect!, Iedereen CEO en De slimme organisatie) die nu wordt gecompleteerd een klassieker avant la lettre is.

Managementboek Magazine wenst u dus een heel inspirerend 2013. Met veel nieuwe rubrieken en zo!

De boekenkast van Hans de Bruijn, bestuurskundige en doormodderaar boekenkast
15 maart 2012 | Joep Schrijvers

Hij is wetenschapper, hoogleraar maar net zo goed een ouderwetse onderwijzer. Hij vertelt, verklaart en illustreert met verve en plezier. Hij laat zien hoe in het politieke debat frames werken. Maar ook in de wereld van Managers en professionals. Hij houdt niet van grootse verhalen en de maakbaarheidgedachte. Zijn fascinatie is de onzekere wereld met zijn dubbelzinnigheid en onvoorspelbaarheid. ‘Besturen is een zaak van doormodderen’, zegt hij. Deze keer bij de boekenkast de man die het boek Framing schreef: Hans de Bruijn.

Delft ontwaakt als ik over de groene as van de campus loop. Slaperige studenten, gehaaste hoogleraren op hun fiets passeren me. De grijze bewolking drukt op de functionalistische gebouwen. Alles lijkt voorspelbaar. Ik ben op weg naar de bestuurskundige, hoogleraar Hans de Bruijn. Ergens aan de rand van het terrein zit hij in relatieve nieuwbouw die alweer wordt gerenoveerd. Een aannemer op de gang timmert en schroeft. ‘Wil je koffie?’ vraagt De Bruijn als ik hem gevonden heb. Hij draagt een montuurloos brilletje en een nonchalant pak. Mijn eerste indruk: dit is een intellectueel. Iemand voor wie de geest belangrijker dan het uiterlijk is. ‘Koffie?’ vraagt hij nogmaals.

De aanleiding voor mijn bezoek is zijn alleraardigste boek dat afgelopen najaar het licht zag: Framing. Het is een goed boek, want het geeft je nieuwe ogen voor de werkelijkheid. Althans mij. ‘Met een frame benoem je de werkelijkheid. Het geeft een interpretatie en roept dan bij de toehoorder allerlei associaties op. Een bekend voorbeeld van framing is de wereld opdelen in helden, schurken en slachtoffers.’ De Bruijn legt het me op de maandagmorgen met plezier uit. ‘De samenleving is ingewikkeld en een frame is daarop een antwoord. Het reduceert complexiteit. Framing wordt vaak naar Wilders toegetrokken. Moslims en de PvdA-elite zijn de schurken, Henk en Ingrid het slachtoffer en de PVV de held. Het is een heel sterk frame omdat Wilders zichzelf ook als slachtoffer van de elite neerzet. Maar feit is dat iedereen framet. Een frame vereenvoudigt de werkelijkheid. Het geeft de essentie weer van wat je wilt. Je hebt in de wereld van bestuur en beleid twee arena’s: de bestuurlijke en de politieke. In de eerste arena gaat het om complexiteit en een tolerantie voor dubbelzinnigheid. Veel maatschappelijke problemen zijn niet eenduidig. In de tweede gaat het om de essentie. Politici spelen in op de onze behoefte aan een overzichtelijke wereld die in control is. Frames helpen daarbij. In mijn boek ga ik daar op in. Ook behandel ik manieren waarop je frames kunt ontkrachten: door ze te reframen. Ik train dat ook samen met een acteur, die bekende frames neerzet. Hij speelt bijvoorbeeld een opponent van een technisch georiënteerd iemand en beschikt over de goede frames. Elektromagnetische velden zijn plotseling elektrosmog. Dat roept bij het publiek allerlei associaties op. Zijn tegenstander staat meteen op achterstand. Hoe moet je reageren op zo’n sterk frame?’

Zijn managers schurken?

De Bruijn vertelt me smakelijk over zetten in framing en reframing. ‘Ik heb iets met taal en ook met het politieke spel, met de slimmeriken die het spel kunnen spelen. We hebben het niet zo op met politici van het type Maxime Verhagen, die goed zijn in het spel. Maar hoe ingewikkelder onze wereld, hoe harder je ze nodig hebt. Macht heeft allerlei negatieve connotaties. Ten onrechte. We hebben ook mensen nodig die het kunnen en willen spelen met de macht.’ Ik popel om naar de wereld van management en organisatie te gaan. Is in het debat over professionals en managers framing óók aan de orde? Hij knikt beslist: ‘Zeker. Een bekende structuur van een frame is dat het een slachtoffer, een schurk en een held heeft. Managers zijn schurken, professionals slachtoffer en Geert Mak en de stichting Beroepseer de helden. Het is een heel hardnekkig frame, maar de werkelijkheid is veel genuanceerder. Bas de Wit deed er onderzoek naar. Managers in het onderwijs doen gewoon hun best. Het is helemaal niet zo dat managers professionals niet zien staan. Er is ook een andere werkelijkheid: niet iedere leraar doet het goed, dat weet iedereen die kinderen op een middelbare school heeft. En er is nog iets aan de hand. Managers moeten professionals niet controleren, maar professionals moeten elkaar controleren, zo is de gedachte. Onderlinge controle zou professionals scherp houden. Maar steeds weer blijkt dat die onderlinge professionele controle niet altijd werkt. Zie de recente gebeurtenissen rond prutsende artsen: ze zijn blijkbaar niet gecorrigeerd door hun medeprofessionals. En dan heb ik nog geen onderscheid gemaakt tussen individuele en collectieve professionaliteit. Je kunt als individu wel goed zijn, maar als de afstemming niet naar behoren is dan is er geen professionaliteit op collectief niveau.’

Dit frame – de bestuurder of manager als schurk – zien we overal, maar toegespitst op professionele organisaties, heeft het ook wel iets Nederlands. ‘Waar het vandaan komt? Het beeld wordt sterk bepaald door het onderwijs, en daar hebben we het failliet van bepaalde onderwijshervormingen gezien. Er is overal een onderstroom van wantrouwen tegenover gezagsdragers, dat versterkt het beeld. En het is een comfortabel frame voor de professional, dat zichzelf makkelijk in stand houdt.’

De Bruijn is op vertrouwd terrein: ‘Professionals die zich voorstaan op autonomie, deskundigheid en collegiale toetsing, moeten ook beseffen dat het beroep op de professie veel massaler is geworden. Heel veel werk – ook voor professionals – is noodzakelijkerwijs gestandaardiseerd. Dat vergt organiseren, afstemmen, management. We willen allemaal overal zo snel mogelijk geholpen worden. Ik vraag me ook altijd af of er een verschil is tussen oude en jonge professionals. Hier aan de universiteit zie ik dat oudere professionals soms klagen over zaken, die voor jongere een taken for granted-karakter hebben. De nieuwe professionaliteit is voor hen een gegeven. Het is ook heel comfortabel om als professional slachtoffer te zijn en voor meer autonomie te pleiten. Neem de affaire Stapel. Het was nog niet bekend of de eerste commentaren zetten hem al als slachtoffer neer. Het zou komen door de publicatiedruk. Dat is flauw, dat is snel commentaar.’ De Bruijn concludeert: ‘Nee, die discussies over professionals en managers zijn te simplistisch.’

Ik vraag de Bruijn of de hype over leiderschap ook een frame is. ‘Leiderschap is weer vreselijk populair.’ Hij wacht even. ‘Het komt uit dezelfde bron voort. De wereld is oneindig ingewikkeld, we zijn steeds meer van elkaar afhankelijk en zijn daardoor het gevoel van controle kwijtgeraakt. We zoeken zekerheid en eenduidigheid. Dat is de paradox: er is steeds minder leiderschap mogelijk en daardoor groeit onze behoefte eraan. Daar schrijft de Amerikaanse filosoof Michael Sandel over en ook de Nederlandse publicist Marc Chavannes. Die laatste heeft het in zijn boek Niemand regeert over Nederland dat de toekomst invliegt in een cockpit die onbemand is. Daar komt onze behoefte aan leiders uit voort. We hoeven geen leiders die zeggen waar de stip op de horizon ligt maar wel die ons inspireren op onze waarden en daar zekerheid over verschaffen.’

Cohort bestuurskundigen

Complexiteit, ambiguïteit, framing en het verlangen naar eenduidigheid zijn thema’s van de bestuurskundige De Bruijn. Ik vermoed er de kenmerken van het leeftijdscohort in dat in de jaren tachtig haar academische scholing kreeg. Is dat zo? ‘Ik deed rechten en politicologie in Leiden. Het was de tijd van Thatcher, Reagan, Lubbers en het waren toch wat restauratieve jaren. Tot die tijd was het gangbare idee dat de maatschappij door de overheid te beïnvloeden was. Toen ik studeerde, nam men van die maakbaarheidgedachte afscheid. We lazen er veel over. De aannames daarachter bleken niet houdbaar. Je kunt niet over alles volledig geïnformeerd zijn en ontwikkelingen goed objectiveren. De samenleving is niet stabiel en voorspelbaar. Mijn denken is beïnvloed door de conservatieve politieke theorie – dat is overigens iets heel anders dan conservatieve politiek, die theorieën hebben van links tot rechts invloed gehad. Het basisidee daarvan is dat de geschiedenis een laboratorium van de mensheid is. Wat nuttig is, blijft bestaan. Deze kent een enorm wantrouwen jegens grote veranderingsidealen omdat die meestal geen recht doen aan de werkelijkheid en vaak het omgekeerde bereiken van wat ze beogen. De grote ideologieën zoals het communisme hadden afgedaan. Dat was een ideaal met zeer slechte uitkomsten. Die hele maakbaarheidgedachte lag onder vuur. Mijn cohort bestuurskundigen is daarin geschoold. Sturing vanuit de overheid is niet goed mogelijk en dus moeten we op zoek gaan naar andere manieren van sturing: sturing door interactie, het stimuleren van emergente ontwikkelingen, het gebruikmaken van complexiteit. Het werd de tijd van minder overheid en meer markt. We gingen nieuwe aannames uitwerken, nadenken over strategieën die wel kansrijk zijn in een ingewikkelde, door technologie gedomineerde wereld. Dat is niet een groot verhaal – daar is mijn generatie niet van – maar gewoon een groot aantal empirisch getoetste inzichten.’

De econoom Charles Lindblom heeft veel invloed gehad op De Bruijn. ‘Hij was een voorloper van die nieuwe denkstroming. In de jaren vijftig en zestig deed hij onderzoek naar besluitvorming en democratie en zei: "Democratie is doormodderen." Hij betoogde dat doormodderen uiterst functioneel is in een wereld die maar beperkt kenbaar is, beter dan alles in één klap veranderen. Neem Europa. Ook Merkel moddert voort in de crisis. Daar is veel kritiek op. Maar kan het anders? Misschien is dit wel de juiste strategie voor de EU: muddling through. In de wetenschap is het helemaal geen uitgemaakte zaak dat snelle en kordate besluitvorming beter is. Tegelijk vind ik het ontzettend belangrijk dat je weet waardoor je bent beïnvloed en daar kritisch naar kijkt. Lindblom-achtige verhalen mogen niet leiden tot een ‘het gaat zoals het gaat’-mentaliteit, het is altijd weer zoeken naar wat wel werkt, kritisch kijken naar je eigen, centrale concepten.’

Reloaden

Een boek als Framing moet een flink publiek trekken. Complexiteit, beïnvloeding en debat, we zijn er allemaal nieuwsgierig naar. ‘Het loopt goed. De eerste maand waren al duizend boeken verkocht. Ik heb er een maand of acht aan gewerkt. Dat is de doorlooptijd. Als hoogleraar heb ik geen schrijftijd. Ik moet dat goed plannen en probeer het als het kan in de vroege ochtenden te doen, maar meestal is het weekendwerk. Gelukkig hoef ik me zelf niet te reloaden. Ik kan voor een uurtje gaan zitten en direct schrijven. Dit boek ben ik op pagina één begonnen. Ik had vooraf geen structuur. Die kwam er al doende in. Ik denk pas na als ik schrijf. Dan worden mijn gedachten scherp. Toen ik klaar was, ging een redacteur van de uitgeverij er kritisch over heen. Die zei dat ik de tekst hier en daar nog dunner moest maken. Ze bedoelde dan dat ik het nog meer en beter moest uitleggen. Bij een boek als dit dwing ik mijzelf monkey proof te schrijven. Want ik wil helder en duidelijk voor een breed publiek schrijven – en toch vond de redacteur nog heel veel dat verbeterd moest worden.’

Tien boeken erbij, tien eraf

Wat en hoe leest iemand die zo gevoelig is voor debat, framing en arena’s? In zijn kamer op de universiteit staan twee kasten en thuis heeft hij er ook nog een paar. ‘Meer ruimte is er niet. Voor deze kasten geldt: tien boeken erbij, tien boeken eraf. Ik doe die dan in een doos en dan gaan ze de kelder in.’ ‘En dan?’ vraag ik, het antwoord al vermoedende. ‘Wat er in de kelder gebeurt?’ Ik knik. ‘Wat er dan gebeurt, durf ik amper te vertellen. Soms gaan ze weg.’ Ik probeer De Bruijn warm therapeutisch aan te kijken. ‘Dan gaan ze in de vuilnisbak. Of ze sterven een zachte dood’, haast hij zich te melden. ‘En gaan ze naar een antiquariaat. Maar die betalen er bedroevend weinig voor. Zo laat je in je boekenkast staan wat je echt mooi vindt en wordt die steeds mooier. Ik lees ook heel veel informatie op het internet met mijn iPad. Veel lezen is scannen. Ik zoek dan waar het nieuwe zit, waar de verrassing komt. In mijn vakgebied lees ik zelden een boek van A tot Z want geen enkel boek is volkomen nieuw. Alles bouwt op elkaar voort. Met fictie is het anders gesteld. Die lees ik meestal wel helemaal.’

Ik hoor ver in het gebouw gehamer en stel mijn laatste vraag. ‘Of er een nieuw boek aankomt? Ik ben daarop aan het broeden. Het zal gaan over een door technologie gedomineerde samenleving die steeds ingewikkelder wordt, waarin we steeds minder in control zijn en er daarom steeds meer behoefte aan krijgen.’ Het verbaast me niet.

Terug buiten op de campus van Delft zie ik weer het Nederland dat door ingenieurs is gemaakt. Ik neem me voor eens wat van Lindblom te lezen. Het gras van de groenstrook is van de aanhoudende regen doorweekt. Doormodderen: het heeft wel wat.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden